Morgen-nachtegaal
(P. C. Boutens, stemmen)
De kanarie (zie vorig artikel) is overbekend; iedereen heeft deze vogel gezien en gehoord. Nachtegalen kennen de meesten slechts van naam en vanaf onze schooljaren weten we, dat deze vogels wel geen mooi verenpakje hebben, maar dat ze uitmuntende zangers zijn. In vele streken van ons land is het een gebeurtenis wanneer we te horen krijgen, dat er een nachtegaal in de buurt woont.
We zijn de mening toegedaan, en dat zal wel komen door de naam, dat deze vogel alleen 's nachts zijn stem laat horen. Zo is het echter niet. Ook in de morgen, als de dag maar nauw begonnen is, kan de nachtegaal worden gehoord.
De dichter Boutens heeft vele malen de nachtegaal gehoord, en wel in de vroege morgen:
Mijn ogen oop'nen over 't gladde dek Door 't vreemd-herkende slaapvertrek Naar venster en half neer gordijn Waardoor de melken morgenschijn Naar binnen luift.
En dan begint het:
Een vogel tjilpt de stilte stiller nog, Drinkt dauw en dagbegin Met zachte halen in.
Pas wakker geworden, luistert de dichter naar dit mooie begin van de nieuwe dag. Roerloos ligt hij te luisteren:
Ik roer niet uit bloeds blij bedrog Dat leven nieuw en ongerept te herbeginnen slaat Met eiken dageraad
En dan probeert Boutens in klank en beeld het zingen uit te drukken:
•O stil, als stortvloed uit een blauwe lucht Slagregenen van klank, Hemeldoorbraak die ruischt de wereld blank Met hagelkletter-parelen koraalgerucht.
We kennen dat in ons buiig land: een heldere lucht en dan ineens een stortregen met hagelgekletter er door uit een donkere overdrijvende wolkenmassa. Zo gaat het met het lied van de nachtegaal. Plotseling begint het zuivere zingen in de vroege morgen en het overstemt alles.
Nu gaat de dichter met een ander beeld verder, het beeld van de zee met eb en vloed, met springtij en doodtij:
Springtij van puur geluk Bonst sluizen stuk, Van hoorbaar vloeiend wonder Loopt alle leven onder.
En wanneer Boutens dit alles heeft gezegd, gaat hij pas vertellen waar dit alles vandaan komt:
Ik weet, daar nest een nachtegaal Diep in het hout aan d' overkant, En vaak uit verren hoek van avondzaal Hoorde ik dien knetterenden brand
Het spreekt vanzelf dat een gevoelsmens, zoals Boutens er een was, iets anders in het nachtegaallied gaat horen dan er eigenlijk in is. In de grond van de zaak zingt de vogel onbewust van de grootheid van zijn Schepper. De dichter hoort er in: een vloed van vreugde, die bovennatuurlijk is; die uit de verre hemel tot hem komt. Er is een vermoeden, dat het Boven uitermate heerlijk moet zijn, en iets van dat heerlijke komt op aarde, door middel van het gezang van de vogel:
Dit is geen vogels keel. Ik hoor uit strakken hemelwand Stortbeken Van overluchtsche vreugde breken, Vullen de hemelen met effen stand Van roerloos-schuivend vlak tot waar het heel In dit diep dal Ombruist in steilen tonenval.
Nu wordt het voor de dichter alsof de ganse hemel weent, maar dan zijn de tranen druppeltjes dauw, die tot klank zijn geworden. En dan weet hij zeker, dat na de nacht van rouw een leven van blijdschap zal komen; nog sterker: het leven is blijdschap, en al is het dat die vreugde de zijne niet zal zijn, dan zal hij toch die vreugde uitzingen in zijn lied. Dit wordt gezegd in het volgende gedeelte. Het is wellicht niet gemakkelijk om de dichter te volgen, maar na hetgeen erover is gezegd, zal het misschien wel gaan:
Het stille witte licht zwelt open in geluid, De hemel weent door waterklare ruit Zijn tranen van verklankten dauw En kleurgebroken gloed — Ik heb het altijd wel vermoed In nacht van smart en rouw, Nu weet ik morgenlijk-en zielgewis, Dat leven blijdschap is En anders niet, En moog' zijn vreugde mijn Niet zijn, Niets dan zijn vreugd erkenn' mijn lied!
Dan gaat het lied nog verder, maar alles ervan kan ik niet overnemen. Alleen dit nog:
Lacht vrij naar 't gouden hart Van levensopenende roos; Want ik vond wel min vreugd dan smart, Maar alle smart is eindig, alle vreugd is eindeloos
De dichter vermoedt dat er een vreugde is, die alle verstand te boven gaat, maar tot dat geheim vermag hij niet te peilen. Wij horen dan ook hierover niets, omdat Boutens nooit is gekomen tot de ware kennis van ellende, en hoe zou er dan kennis van verlossing en dankbaarheid kunnen zijn?
Jammer dat een talent, dat zó de taal kon smeden, nooit tot die diepte is gekomen.
INDEX
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 december 1961
Daniel | 8 Pagina's