Een werk vol wetenswaardigheid
Dr. J. Heringa: „De Eer en Hoogheid van de Staat. Over de plaats der Verenigde Nederlanden in het diplomatieke leven van de zeventiende eeuw". Avec résumé en francais. Uitgave van J. B. Wolters, Groningen, 1961. 645 blz., ingenaaid ƒ 45.—.
Het boek van Dr. Heringa over de plaats der Nederlanden in 't diplomatieke leven van de zeventiende eeuw — oorspronkelijk een dissertatie — kan men om verscheiden redenen de naam van een uitzonderlijke studie geven. Het is van een omvang die zou doen vermoeden dat hier naar volledigheid gestreefd is, en niettemin draagt het nog dikwijls, zoals schrijver in zijn inleiding terecht poneert, het kenmerk van ontginningswerk: een ook maar enigszins volledig onderzoek was hier beslist onmogelijk! Het is het lezen overwaard, en niettemin kan men het zeer bepaald geen grote lezerskring voorspellen. Bovendien zal wie het met belangstelling heeft doorgewerkt, het niet nog eens aandachtig van begin tot eind gaan lezen. Waarmee niet wil gezegd zijn dat het boek voor hem dan waardeloos geworden is: Het is als informatiebron een werk van blijvende betekenis! De schrijver deed er daarom goed aan door een uitgebreide inhoudsopgave en door de toevoeging van enkele registers welbewust de bruikbaarheid van dit met feitjes volgepropte boek wat te vergroten.
Het doel van deze studie is, een antwoord geven op de vraag: Hoe hebben de opstandige gewesten in de lage landen wat betreft de vormen en de ceremoniën hun plaats gevonden in 't diplomatiek verkeer? De schrijver heeft hiertoe de periode 1588 — toen men niet meer op zoek ging naar een vreemde soeverein — tot 1672 — toen door de oorlog de betrekkingen met Engeland en Frankrijk onderbroken werden — onderzocht. Het is van belang er op te letten dat die periode èn een tijdperk mèt een stadhouder èn een dat men het zonder deze hoogstmerkwaardige figuur gedaan heeft, in zich sluit. De verhoudingen tussen de staten werden in de zeventiende eeuw nog grotendeels gezien als de verhoudingen der vorsten, en dus bewoog zich het diplomatiek verkeer in monarchale omgangsvormen. Hoe hebben nu de vorsten onze Republiek in hun verheven midden opgenomen? Hoe heeft zijzelf zich bij de monarchale vormen aangepast? En hoe heeft zij, tenslotte, zich een ceremonieel gevormd voor de ontvangst van de gezanten die zich mettertijd bij haar vervoegden?
Dr. Heringa geeft op dit alles met een overvloed van feiten antwoord. Daarom leest zijn boek soms wat vermoeiend, maar anderzijds moet men ook zeggen dat er juist in die biezonderheden vaak weer dingen zitten die heel belangwekkend zijn en dus het lezen toch tot een genieten maken. En alles wat de Republiek betreft wordt telkens duidelijk tegen de achtergrond van 't algemeen gebruik van toen geplaatst. De kompositie blijkt — ondanks het feit dat men zo af en toe temidden van de overstelpend vele feiten de draad van het betoog dreigt kwijt te raken, en ondanks het feit dat men zo af en toe zich afvraagt of beperking niet was mogelijk geweest — weloverwogen. Opvallend is de grote nauwgezetheid waarmee naar de vele bronnen wordt verwezen. Als geheel is dit een werkstuk waarmee men de schrijver kan gelukwensen.
Wellicht vraagt iemand of het wel verantwoord was een zo uitvoerig onderzoek te wijden aan een onderwerp als dit. Wie deze studie heeft gelezen, stelt die vraag niet meer. Achter 't schijnbaar onbeduidendste getwist om voorrang onder de gezanten, achter elke kleine ruzie die er was en waarvan schrijver ons hier voorbeelden te over geeft, zag men in onze bloeitijd de realiteit: het ging — zoals de titel van het boek zo aardig zegt — het ging bij al die kleinigheden om niets minder dan de eer en hoogheid van de staat! Er stonden hierbij werkelijk belangen op het spel! En zo verheldert deze studie, die uiteenvalt in vier delen met een kleine twintig hoofdstukken tezamen plus een aantal bijlagen, ons inzicht in een altezeer verwaarloosd onderdeel van opvattingen en van leven in de zeventiende eeuw.
Met kennelijk genoegen weidt de schrijver, waar zich de gelegenheid maar voordoet, over een en ander uit. Daaraan is menig aardig stuk te danken, b.v. dat over de vraag wat men onder de hang van een karos heeft te verstaan. Terloops wordt verder hier en daar gewezen op het misverstand dat er betreffende bepaalde termen elders in historische lektuur bestaat. Een keer of wat was het intussen wel gewenst geweest dat schrijver een uiteenzetting niet in zijn tekst had opgenomen, maar naar een noot verschoven had, b.v. die over familie en vermogen van de hofmeester Mortaigne. Maar dit zijn kleine vlekken in een groot en schoon geheel.
Het boek is ouderwets van spelling, terwijl de interpunktie aan het lezen niet ten goede komt. Het aantal drukfouten kan men, gezien de vele bladzijden die hier te korrigeren waren, werkelijk niet onbehoorlijk noemen. Bovendien zal wie ter zake kundig is, ze zelf gemakkelijk herstellen, ook in de bibliografie. Er is aan deze uitgave wel zorg besteed: fraaie illustraties dienen tot verduidelijking van de tekst.
(vervolg op pag. 96)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 december 1961
Daniel | 8 Pagina's