JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Volkeren rondom Israël

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Volkeren rondom Israël

4 minuten leestijd

8.

De godsdienst der Babyloniërs II.

In dit laatste artikel over de Babyloniërs (in de volgende artikelen zullen we op andere volkeren overstappen) willen we ons eens wijden aan de Babylonische godsdienst in haar literatuur.

In de Babylonische literatuur treffen we verhalen aan over de schepping, de zondeval en de zondvloed.

In deze verhalen vinden we hier en daar nog overeenkomst met de verhalen uit de Bijbel, maar voor het grootste gedeelte zijn ze de vrucht van een rijke fantasie. Wij weten uit de Bijbel dat deze verhalen van vader op zoon oververteld werden, pas veel later zijn ze opgeschreven.

Toen na de tijd van Noach het mensdom weer tot heidendom verviel, zijn deze verhalen natuurlijk ook onder de heidenen doorverteld. De heidense volkeren verminkten ze en voerden hun eigen goden in. Door een steeds verdere verminking ontstonden dan de verhalen, zoals ze gevonden zijn op kleitabletten tijdens opgravingen.

Over de schepping bestaan meerdere verhalen. Een ervan, zoals die op het kleitabletje staat, dat in het British Museum te Londen bewaard wordt, luidt als volgt: Van eeuwigheid bestond slechts de chaos, gedacht als een vrouwelijk en een manlijk wezen: Tiamat en Apsoe. Uit deze oerstof worden de goden geboren, slechte en goede. De slechte willen onder leiding van Apsoe en Tiamat de goede vernietigen.

Babels god Marduk overwint echter Tiamat en vormt uit haar lichaam hemel en aarde. Daarna schept hij ook de mens. Men heeft op kleitabletten ook een verhaal gevonden dat over zoiets als een zondeval handelt. In Egypte heeft men sporen van hetzelfde verhaal gevonden. Het verhaal is als volgt: Adapa, de eerste mens, was de zoon van de god Ea. Hij voorzag zijn vader van spijs en drank. (Hoe vreemd: een god die eet en drinkt!) Toen Adapa op zekere dag aan het vissen was, viel de Zuidenwind op hem aan. De Zuidenwind werd voorgesteld als een demon. Adapa wist in zijn woede de vleugels van de demon te grijpen en die af te breken, zodat de demon niet verder vliegen kon.

Toen de hemelgod Anu dat hoorde, werd hij vertoornd en riep Adapa bij zich. Ea wilde Adapa beschermen en waarschuwde hem niet van het brood te eten dat Anu hem geven zou, want dat zou zijn dood betekenen.

Maar als Adapa voor Anu verschijnt, verdwijnt Anu's toorn en hij geeft hem gunstbewijzen door hem het brood des levens voor te zetten.

Adapa herinnert zich Ea's waarschuwing en weigert het brood te eten. Dan wordt Anu woedend en hij werpt hem uit de hemel terug naar de aarde. Zo verspeelt Adapa door een misverstand het eeuwige leven.

De scheppingsverhalen en het zondevalverhaal zijn dus totaal verminkt, er is

niets meer van het Bijbelverhaal in terug te vinden.

Het derde verhaal, het zondvloedverhaal, heeft echter een opvallende gelijkenis met het Bijbelverhaal.

De grote goden hadden besloten om de stad Sjurruppak aan de Eufraat te verwoesten, vanwege de vele zonden die de inwoners van die stad gedaan hadden. Maar Ea, de god van de wijsheid, had een gunsteling, genaamd Utanapistjim. Deze waarschuwde hij, en hij raadde hem aan om een groot schip te bouwen, met zijn familie aan boord te gaan, van alle levende schepsels een paar mee te nemen, en zo in zee te steken.

Het schip moet zeven verdiepingen tellen en met aardpek dichtgemaakt worden. Utanapistjim volgt deze raad op, hij bouwt het schip en zijn stadgenoten, die naar het doel van de bouw komen vragen, bedriegt hij.

Als het schip zee gekozen heeft, breekt de storm los. Zes dagen en zes nachten woedt de storm. Op de zevende dag houdt hij op, de wateren minderen en het schip strandt op een berg. Utanapistjim wacht nog een week, maar dan stuurt hij een duif uit, daarna een zwaluw en tenslotte een raaf. Toen de raaf niet terug keerde, wist Utanapistjim dat de aarde weer droog was. Hij verliet het schip en offerde aan zijn goden. Toen een godin dat zag, zwoer zij bij haar halssieraad, dat zij deze dag nooit zou vergeten.

U ziet in dit verhaal een treffende gelijkenis met het Bijbelverhaal. Met het halssieraad van de godin wordt natuurlijk de regenboog bedoeld die God als teken aan Noach gesteld heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1961

Daniel | 6 Pagina's

Volkeren rondom Israël

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 december 1961

Daniel | 6 Pagina's