Diskussiehoek
Internationale Raad van Christelijke Kerken (I.C.C.C.)
Naar aanleiding van de brieven in „Daniël" van 3 november j.1. volgt hier een reaktie uit Utrecht: „.... 'k Zou met de Boskoper willen beginnen, want als die denkt, dat wij doen kunnen wat Jezus deed en ook da-
ders des werks kunnen wezen, dan geloof ik, dat we door de waarachtige wedergeboorte onszelf nog niet hebben leren kennen, waardoor we uit de oude Adam worden overgeplant in de ware wijnstok Christus, waardoor we dan alleen ware vruchten der dankbaarheid voort kunnen brengen. Dan komt het uit de bron der liefde en niet uit de bron, dat wij nog iets goeds voort kunnen brengen voor God. De duivel gebruikt tegenwoordig zoveel vrome geesten, waardoor de mens misleid wordt. En dan wat de Utrechtse schrijver aanhaalt (uit Calvijn-Gespreksleider) dat de Schrift met de naam der kerk aanduidt de ganse menigte der mensen en die belijdt, dat zij één God en Christus dient en door de Doop in Zijn verbond wordt ingelijfd, dat is zeker waar, maar om deel te nemen aan het Avondmaal, daar is meer voor nodig, zoals er toch in de Ger. Gem. geleerd wordt, maar niet door Dr. Kuyper. Ik reken, dat de „Institutie" en de leer van Dr. Kuyper nogal een beetje met elkaar verschillen. Ook kan ik me best begrijpen, dat de Ger. Gem. niet zo gemakkelijk lid worden van de I.C.C.C. Want Gods Woord zegt ons, dat we de dwaalleraars niet in huis zullen ontvangen, dus er geen gemeenschap mee hebben.
En dan nog de brief uit Middelburg, dat hij maar niet begrijpen kan, waarom toch altijd weer de Ger. Gem. zich overal van distanciëren. Dat is heus niet, omdat ze zich in een groepje af willen zonderen en ook niet omdat ze denken het alleen maar te weten, maar clat is juist omdat Boston zegt, dat we de zondige leden van het lichaam des Heeren naar Gods Woord willen en moeten dienen. (Dit begrijp ik niet. Waarschijnlijk bedoelt schrijver: dat we met de zondige leden van het lichaam de Heere naar Gods Woord enz. Gespreksleider) en dat is eerst de geesten beproeven of ze uit God zijn. En dan het juiste licht op de kandelaar brengen, want het gaat niet om ons gevoelen en onze mening, maar het gaat om de bedoeling en mening van Gods Woord. En als we die mening uit en door genade zuiver houden, dan kon het wel eens wezen, dat de I.C.C.C. niet zoveel aanhang meer had." Aldus dit schrijven.
Iemand uit Scheveningen schrijft: „Wanneer ik mijn mening over de I.C. C.C. geef, kan ik er niet aan ontkomen ook de Wereldraad van kerken erbij te betrekken. De basisformule van de W. v. K. is zeer onvolledig; ook al zou deze formule een meer schriftuurlijk karakter krijgen, dan heeft zij, gelet op de vrijheid van interpretatie, geen enkele uitsluitende kracht. „Men wil geen theologische strijd over „details" van het christelijk geloof in een hindoeïstisch land. En bovendien behoeft de basis niet een soort van „geloofsbelijdenis" te zijn." (Berkhof).
Wanneer men de constitutie van de I.C. C.C. leest, valt al direct op, dat de leerstellige grondslag veel vollediger is. Naar mijn mening kan hiertegen geen bezwaar worden gemaakt, omdat zij in overeenstemming is met de Bijbel. Ook wordt door alle leden van de I.C.C.C. gelijk gedacht over deze grondslag, omdat slechts die kerken aanvaard worden, die blijkens hun belijdenis deze leerstellige grondslag onderschrijven. Hierin onderscheidt cle I.C.C.C. zich duidelijk van de W. v. K.
Een tweede zaak, waarin de I.C.C.C. zich onderscheidt van de W. v. K. is, dat men niet aanstuurt op een organisatorische eenheid van kerken. Er is eensgezindheid nodig voor een vruchtbare samenwerking. Dat houdt echter niet in, clat zij streeft naar eenheid in openbaringsvorm. Dit vooral moeten wij goed in het oog houden. Het is een zaak van de kerken zelf de verdeeldheid op te lossen. Wat weet b.v. een Amerikaan van de geschillen der onderscheidene Ger. kerken in ons land. Of beter gesteld: hoe zouden wij het vinden, als hij ons dicteerde, hoe wij tot eenwording moeten komen. Daarom zegt de I.C.C.C.: Met deze zaak bemoeien wij ons niet.
Ook in werkzaamheid onderscheidt zich de I.C.C.C. van de W. v. K. De laatste legt het accent op de sociale nood en het middel, de wereld daarvan te verlossen. De I.C.C.C. echter laat de geestelijke nood het zwaarst wegen. De eerste taak van de kerk is immers de verkondiging van het Evangelie. Verder is nog op te merken, dat de I.C.C.C. beslist afwijzend staat tegenover de Roomse kerk en het Communisme. De W. v. K. doet echter al het mogelijke ook de Roomse kerk binnen haar gelederen te krijgen. Deze neemt nog steeds een afwijzende houding aan met het argument, dat zij al een eenheid van Christenen vormt. Ook is het mogelijk Communist te zijn en zitting te hebben in één der bestuurslichamen van de Wereldraad.
Het zal duidelijk geworden zijn, dat ik een voorstander van de I.C.C.C. ben.
Het is naar mijn mening niet geoorloofd om in 't midden van de wip te gaan zitten zoals de Ger. Kerk doet. Ook een geheel zich afzijdig houden van een Bijbelgetrouwe organisatie als de I.C.C.C, is, is m.i. niet goed.
Het wordt hoog tijd, dat alle Bijbelgetrouwe kerken ook de Ger. Gem. — zich aansluiten bij de I.C.C.C. om samen een bolwerk te vormen tegen de machten van on-en bijgeloof, die zich onder het mom van Christelijk aan de wereld openbaren. Om ook in deze getrouw te zijn aan hun roeping." Aldus onze Scheveningse vriend.
Vergelijken we dit standpunt met dat van onze Utrechtse vriend uit „Daniël" van 3 nov. j.1., dan blijkt tussen beide heren verschil van mening te bestaan inzake de kerkelijke eenheid t.a.v. de I.C. C.C. Utrecht: „Men is het daar (bedoeld wordt de I.C.C.C. Gespr.1.) ongeveer met elkaar eens in de negatie van de Wereldraad, maar desondanks laat men de interne kerkelijke verdeeldheid onaangeroerd." Scheveningen: „De I.C.C.C. stuurt niet aan op een organisatorische eenheid van kerken. Wel eensgezindheid. Het is een zaak van de kerken zelf de verdeeldheid op te lossen. Hoor ik nog iets van beide disputators hierover? Uit de binnenkomende brieven blijkt wel, dat het in bespreking zijnde onderwerp veel belangstelling onder de lezers heeft en ik kan me voorstellen, dat verschillende uwer graag eens meer willen weten over de Wereldraad van Kerken en over de I.C.C.C. Het zijn ook geschikte onderwerpen voor b.v. de jaarvergadering van een J.V. Mocht U er zelf niet genoeg van afweten, dan heb ik iemand voor U, die steeds bereid is, hierover bij U te komen spreken. Nodigt U hem maar eens uit op uw J.V. vergadering of jaarvergadering. Het is cle heer
D. M. Boogaard, Cliviastraat 3c te Rotterdam. Tel. 010-85562.
De diskussie over de I.C.C.C. blijft nog open staan. Ik verwacht nog vele brieven met uw meningen, ook over de reeds geplaatste meningen van andere briefschrijvers. Is U het niet eens met hun opvattingen, gauw schrijven dan. Een uitvoerige diskussie is meer verhelderend dan de mooiste inleiding. En u weet het nog: brieven aan de secretaris van ons Land. Verband, Ridder v. Catsweg 244a, Gouda. Graag in de linkerbovenhoek van de enveloppen het woord Diskussiehoek. In afwachting uw
Gespreksleider.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1961
Daniel | 8 Pagina's