's Mensen onwil
De Vijanden Gods (19)
zijn doen en laten. Vrijwillig werkt de mens, als redelijk schepsel! Maar hoe? Niet onafhankelijk, maar geheel onder God. Doch, en let hier wel op: zonder voelbare dwang, noch door instinct, maar met het vermogen om uit bewuste redenen zichzelf te bepalen en zelf te kiezen om zus of zo of anders te doen of niet te doen.
Ook na de val is de mens geen stok of blok geworden, die buiten zijn eigen, persoonlijke wil om werkt; neen, hij laat in alles wat hij doet zijn wil wel degelijk gelden en meespreken.
Het derde koord, waarmede de mens aan de zonde ligt vastgesnoerd, is: zijn onwil.
De zaak staat dan ook niet zó, gelijk men het wel eens hoort uitspreken, dat de mens vóór de val een vrije wil had, en na de val niet meer; neen: de mens heeft na de val net zo goed een wil, als voorheen, en in zekere zin mag men ook zeggen, dat zijn wil een vrije wil is, want hij kiest en besluit en beslist zelf, na eigen zelfstandige overwegingen en wikken en wegen. Maar het grote verschil schuilt hierin, dat de mens vóór de val een wil bezat, die naar zijn natuurlijke drang naar het goede uitging, terwijl door en na de val, die wil ten kwade toe is omgebogen, en nu al zijn willen bestuurd wordt door zijn innerlijke verdorvenheid. Daarom is de mens bij al de vrijwilligheid van zijn doen, toch niet in staat het wezenlijk-goede te willen. Immers, de wil is bedorven en wordt door het vlees beheerst. Daarom is het bedenken des vlezes vijandschap tegen God; en dat komt niet in het minst tot uiting in de handelwijzen van de mens, als gevolg van zijn verkeerde, zondige wil.
De onbekwaamheid van de natuurlijke mens tot enig geestelijk goed, is niet alleen in onmacht gelegen, in gemis aan kracht, maar ook en vooral in verkeerdheid van zin en keus, d.i. in onwilligheid. De wil is van het goede afgekeerd en tegen de wil Gods gekant.
Het is een heel stuk, waarde lezer, om van harte toe te stemmen, dat onze wil een onwil voor God is. Met onze onkunde en vooral onze onmacht zijn we spoedig klaar. Heel gaarne stemmen we toe, dat we onmachtig zijn om een zucht aan onze zaligheid toe te voegen; die belijdenis onzer onmacht kan heel wel geboren zijn uit het vlees. Maar te bekennen, dat we onwillig zijn om zalig te worden, zie, dat gaat niet zo gemakkelijk. O ja, in de bespiegeling, in de beschouwing kan het ver gaan, en kunnen we er ook wel toe komen ons onwilligen te noemen. Maar als het er eens recht op aan komt, als wij ons ge-
De mens is door God geschapen met een vrije wil; deze vrijheid van wil wordt niet weggenomen door het onveranderlijke besluit Gods, noch door Zijn allesomvattende Voorzienigheid. Daarom blijft, naar rechtzinnige opvatting, de mens verantwoordelijk voor al plaatst weten voor de aldoorzoekende ogen van Hem, die de verborgenste roerselen van het hart kent, dan valt het niet mee, om te belijden, dat we onwillig zijn. Liefst stellen we het zó voor, alsof we wel de wil, maar helaas niet het vermogen bezitten om in de wegen des Heeren te wandelen. En dan wordt, zeer ten onrechte, het woord van de apostel Paulus aangehaald: Het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet." Rom. 7 : 18.
Maar wees er van verzekerd, mijn vrienden, dat ge nooit en te nimmer dit hoog gestemde woord van de apostel zult kunnen beamen, als ge niet eerst geleerd hebt om het tegenovergestelde te bekennen, n.1.: „Het willen is niet bij mij!" Wie aan zijn natuurlijke staat voor God ontdekt is, ziet zijn gemis aan gewilligheid en zijn last van onwilligheid. Zo wordt hij een vijand van God en van zijn eigen zaligheid, en schiet er, om behouden te worden, niets anders over dan een opheffen van de witte vlag, een onvoorwaardelijk overgeven op genade of ongenade.
En die ontdekking, alsmede die daad der overgave, is reeds een gewrocht van de Geest der wedergeboorte, die het hart en de wil omzet, zodat er een nieuwe mens in u geboren wordt, wiens wil geheel en al goed is, en die niet kan zondigen, omdat hij uit God geboren is. 1 Joh. 3 : 9.
Maar dat alles werkt dan ook mee om in de oude mens en speciaal in zijn onwil de grote vijand Gods te zien, en het ogenblik te verbeiden, waarop ook die zondige wil zal zijn te niet gedaan, om eeuwig met vrijwillige liefde Hem lief te hebben, die Zich uwer ontfermd heeft!
'k Bekend', o Heer! aan U oprecht [mijn zonden; 'h Verborg geen kwaad, dat in mij [werd gevonden Maar ik beleed, na ernstig overleg, Mijn boze daan; Gij naamt die [gunstig weg!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 november 1961
Daniel | 8 Pagina's