JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Diskussiehoek

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Diskussiehoek

8 minuten leestijd

Internationale Raad van Kerken (I.C.C.C.) Christelijke

Uit Boskoop het volgende schrijven: „Hoewel het m.i. onmogelijk is om een eenheid der kerken tot stand te brengen en toch voor onze zuivere belijdenis uit te komen en naar te leven zonder water bij de wijn te doen, is het toch betreurenswaardig, dat de zucht naar eenheid wel gevonden wordt bij de kerken en ook nog wel bij de wereld, terwijl de gelovigen er niets tegenover kunnen zetten dan verdeeldheid en verschil van mening, waardoor zij elkander vereten en verbijten, terwijl Jezus, wiens volgelingen wij moesten zijn, zelf bidt: „Vader, Ik wil, dat zij één zijn, gelijk wij één zijn, opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt." En nu spijt het mij, dat u over die exegese niet meer diskussiëren wilt, omdat u gelooft, dat het een innerlijke zaak is. En dat die eenheid niet uit iets uitwendigs bestaat. Ik ben het direkt met u eens: die eenheid vindt zijn oorsprong in God door Christus door wederbarende genade. Maar dan vindt het ook zijn uitleving met Christus. Doen wat Jezus deed. Geen hoorders des woords, maar daders des werks. En dat is wel terdege iets uitwendigs. Zie maar bij de eerste Pinkstergemeente; die waren één in begeren, één in leven, één in bezitten, één in genieten, één in prediken. En de vrucht was: dagelijks werden er toegedaan tot de gemeente die zalig werd. Ook is het waar, dat de verdeeldheid der gelovigen de ondergang der wereld inhoudt. Ik acht het een grote genade Gods en een ernstige roepstem aan de gelovigen, dat die zucht in de kerken openbaar komt. Maar tevens diep beschamend voor hen, dat zij die eenheid niet bezitten of uitleven. Althans niet in de leer aangaande Gods Woord en ook niet in het betrachten van des Heeren wil. En nu kunnen wij ons wel zoet houden, met de gedachten, dat de Heere de gelovigen eenmaal één zal maken, maar dan kon het wel eens te laat zijn." (ingekort.)

Een tweede brief komt uit Utrecht: „Onder de jongeren uit onze kring leven problemen, die vaak een gevestigde opinie aantasten en die, indien ze niet op een eerlijke wijze worden doorgesproken, ruïneuze consequenties hebben of kunnen krijgen. Hoewel u de diskussie over de Wereldraad van kerken gesloten hebt

— m.i. te vroeg, gezien de omvang en de belangrijkheid der daarmee samenhangende problematiek (kan voortgezet worden onder de I.C.C.C. Gespreksleider) wil ik nog enkele opmerkingen plaatsen n.a.v. enkele stellingen, die u poneerde in het nummer d.d. 22 september j.1.

N.a.v. Joh. 17 : 21 merkte u op: Deze eenheid bestaat dus niet uit iets uitwendigs."

Inderdaad, de onzichtbare kerk is — volgens Calvijn — „die kerk, die inderdaad voor Gods aanschijn kerk is, in welke geen anderen opgenomen worden, dan die door de genade der aanneming kinderen Gods, en door de heiligmaking des Geestes waarachtige leden van Christus zijn. En dan bevat zij niet slechts de heiligen, die op de aarde wonen, maar alle uitverkorenen, die er van het begin der wereld geweest zijn. Dikwijls echter duidt de Schrift met de naam kerk aan de ganse menigte der mensen, die over de aarde verspreid is en die belijdt, dat zij één God en Christus dient, door de Doop in Zijn verbond wordt ingelijfd, door de deelneming aan het Avondmaal haar eenheid in de ware leer en liefde betuigt, eenstemmigheid heeft in het Woord des Heeren en tot de prediking daarvan de dienst onderhoudt, die door Christus is ingesteld. In deze kerk echter zijn zeer veel huichelaars gemengd, die niets van Christus hebben dan de naam en de uiterlijke schijn; zeer veel eergierigen, hebzuchtigen, afgunstigen, kwaadsprekers, sommigen van een onrein leven, die een tijdlang verdragen worden, of omdat ze niet door een wettig oordeel kunnen overtuigd worden, of omdat niet altijd een behoorlijke gestrengheid van tucht heerst. Evenals het dus nodig is, dat we een onzichtbare, alleen voor Gods ogen waarneembare kerk geloven, zo wordt ons geboden deze, die ten aanzien der mensen kerk genoemd wordt, hoog te achten en gemeenschap met haar te oefenen." Aldus Calvijn in „Institutie" Boek IV Hoofdst. I par. 7.

De voor mensen onzichtbare kerk neemt gestalte aan in de voor mensen zichtbare kerk. En deze kerk is voor Calvijn bepaald niet „iets uitwendigs" en haar eenheid ging hem zeer ter harte. Het is m.i. onjuist om — zoals u poneert — de eenheid der gelovigen te isoleren van de zichtbare kerk. Op deze wijze neemt u toch — i.t.t. Calvijn — de wedergeboren mens als uitgangspunt voor de kerkbeschouwing. En tot welke onschriftuurlijke consequenties dit uitgangspunt leidt, demonstreert dr. A. Kuypers kerkbeschouwing wel. Immers hij kende in de praktijk aan de kerk als organisme een grotere betekenis toe dan aan de kerk als instituut. Gevolgen: Doleantie, pluriformiteitsgedachte etc. Bovendien zal het „opdat zij in Ons één zijn" naar buiten uitstralen moeten, m.a.w. zichtbaar, uitwendig moeten worden, „opdat de wereld gelove dat Gij Mij gezonden hebt."

Derhalve meen ik te moeten concluderen, dat het streven naar de eenheid van de, nu-verscheurde, zichtbare kerk door God geboden is. Dit betekent niet, dat we daarom zonder meer de werkwijze van de Wereldraad kunnen aanvaarden. We zijn er echter niet mee klaar om op een hooghartige wijze de Wereldraad te critiseren, terwijl we zelf de kerkelijke verdeeldheid maar laten voor wat ze is.

Daarom kan ik me ook niet verenigen met de werkwijze van de I.C.C.C., die ondanks haar vaak zeer rake kritiek op de Wereldraad, niettemin nalaat gehoor te geven aan het uitdrukkelijke bevel van Christus — dat ook een gebed is! — waar het de kerkelijke verdeeldheid in haar eigen boezem betreft. Men is het daar ongeveer met elkaar eens in de negatie van de Wereldraad, maar desondanks laat men de interne kerkelijke verdeeldheid onaangeroerd. En dit mede tot schade van de werfkracht van het Ger. protestantisme. Herhaalde malen heb ik in persoonlijk evangelisatiewerk de funeste uitwerking van de verdeelde Ger. Gezindte op de werfkracht der kerk aan den lijve ervaren." Aldus het schrijven uit Utrecht.

Eén van onze Studieverenigingen stelt de volgende vragen:1. Waarom zijn de Ger. Gem. niet aangesloten bij de

1.C.C.C.? 2. Moeten en mogen wij lid worden van het I.C.C.C. jeugdcontact?

Willen de lezers hierover hun gedachten eens laten gaan en mij hun antwoorden doen toekomen?

Verder heb ik nog een brief uit Middelburg, waaraan ik het volgende ontleen:

„Wat de I.C.C.C. aangaat, zou ik dit willen opmerken; dat een dergelijke organisatie in deze tijd zeer nodig is. Eenmaal heb ik Ds. J. W. Kersten hierover horen spreken. Hij heeft toen zeer duidelijk uiteengezet het doel en wezen van deze organisatie. Dit is al enige jaren geleden. Van toen af heb ik eens meer hiervan vernomen en kan eigenlijk niet begrijpen, waarom toch altijd weer de Ger. Gem. zich overal van distanciëren. Ik denk zo aan een zin van Thomas Boston: „Nooit moeten wij ons verder van iemand afscheiden dan voor zover hij zich van Christus afzondert." (Uit: Gemeenschap der Heiligen blz. 68).

In onze gemeenten wordt zo dikwijls, ik zou haast zeggen, een arrogant standpunt ingenomen, of wij het alléén maar weten. Het is veel moeilijker om aan de hand van Gods Woord op afglijdingen te wijzen dan zich met een gelijkdenkend groepje af te zonderen. Ds. Boston zegt in dit verband: „Wij moeten met de zondige leden van dit lichaam de Heere wettiglijk dienen enz. Want de onbesmette voet kan, terwijl de andere ongelukkig zich bevuilt, wel op een reine en vaste grond blijven voortgaan." En dan moeten wij als Ger. Gem. ons heus niet inbeelden volkomen reine voeten te hebben. Hoeveel traditie is er niet als een ijzeren wet onder ons gegroeid. Wee degene, die zich hieraan vergijpt. Naar mijn gevoelen is het één van de fouten van de Ger. Gem. zich te gemakkelijk overal van te onthouden. Wij moeten onze mening uitdragen te midden van anderen en ook zelf bereid zijn om naar de anderen te luisteren. Een dergelijk geluid als wij vernemen in de leerstellige grondslag van de I.C.C.C. moet ons verheugen en bereid doen zijn mede te werken, ook al zijn er dingen, die wij misschien anders zouden willen hebben." Aldus de brief uit Middelburg.

Voor dit keer kan het wel weer. Wie heeft er over de in dit nummer geponeerde meningen of over de I.C.C.C. nog iets te zeggen? Hij schrijve naar de secretaris, de heer Hoogendoorn. In de linkerbovenhoek van de enveloppe: Diskussiehoek. Ik geloof, dat we nu weer stof genoeg hebben om over te diskussiëren.

Gespreksleider.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1961

Daniel | 6 Pagina's

Diskussiehoek

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 3 november 1961

Daniel | 6 Pagina's