Mei raad en daad geholpen
Het duurde geruime tijd eer de plaats voor het kosthuis van dorens en struiken gezuiverd was. Toen kwam voor de Karens een moeilijker werk. Er moesten vijftig grote bomen uit het bos worden gehaald. Die bomen lagen niet voor verzending gereed, maar moesten omgehakt worden.
Zie nu de domme Karens moeizaam het werk verrichten! Zij staan te hakken aan kromme bomen, die niet eens deugen tot de bouw. Het vervoeren van de bomen doen ze heel onhandig, en tot overmaat van ramp komen de Burmanen. Die komen met geen prettige boodschap. Zie hun gezichten maar eens! De Karens hebben meer bomen omgehakt dan het aantal dat toegestaan was. Onverwijld moet heel die bomenkapperij ophouden en geen boom mag meer vervoerd. Nu ligt het werk stil en kan er niet gebouwd worden. Wanneer zal het kosthuis er staan?
Mevrouw Mason moet er aan te pas komen. Zij kan ook nergens gemist worden. En het is maar goed, dat ze niet voor een paar dagen toezicht houdt, maar het zal een kwestie worden van weken. Ze neemt haar trouw en gehoorzaam rijdier, een prachtige olifant, en rijdt naar het terrein. In allerijl wordt een eenvoudige hut voor haar gebouwd, vlak aan de rivier, en zes weken lang is zij de spil waar alles om draait.
Zij kalmeert de boze Burmanen en geeft aanwijzigingen aan de houwers, aan de vervoerders, en wijst de bomen aan die geschikt zijn.
Als de werkers de moed laten zakken, spoort zij ze aan tot meerdere spoed. Ze doet net met de Karens of het haar kinderen zijn. Zonder haar aanwezigheid was er van heel het werk niets terecht gekomen. Maar nu vordert alles naar wens. Na zes weken kan mevrouw Mason terug keren naar de plaats waar het huis zal verrijzen.
Het wordt een vrolijke samenkomst voor de kinderen, als het fondament van het gebouw wordt gelegd. Er worden tafels klaargezet in de open lucht en op die tafels komt allerlei lekkers te liggen: gebraden kippen, gebak en snoep. Wat zullen de kinderen smullen, en dat alles ter ere van het gebouw, dat straks voor de oudere kinderen zal gebouwd worden.
Als de kinderen gezeten zijn en het eten zal beginnen, wordt het feest ineens verstoord. Plotseling zijn de tafels omringd door wilde Karens, die van de bergen zijn gekomen. Ze roepen met krijsende stemmen: „Kinders kost, ou mensen honger! Kinders kost, ou mensen honger!"
In een ommezien is alles van de tafels weggegrist en verdwenen in de zakken van de wilden. Hun monden zijn volgepropt met het lekkers, dat voor de kinderen was bestemd. En zo vlug als ze zijn gekomen, zo vlug zijn ze ook weer verdwenen.
Daar zitten de kinderen. Ze weten eerst niet wat er zich zo gauw heeft afgespeeld. Dromen ze, of is het werkelijkheid? Waar is ineens het lekkers gebleven? Er is niets meer voor hen overgebleven.
De meesten beginnen te schreien. De Karens, die onder leiding van mevrouw Mason aan alles hebben geholpen, zijn woedend op hun stamgenoten. En ze laten het er niet bij zitten. Eerst stonden ze verbluft te kijken, maar even later zijn ze de woestelingen nagesneld, tot bij hun woningen toe! Van teruggeven was eigenlijk geen sprake meer. Voor een groot gedeelte was het gestolene al verorberd door de wilden en door hun huisgenoten. Toch kregen de helpers van mevrouw Mason hun zin: alles wat geroofd was, zou worden betaald. En dat gebeurde ook, zodat later de kinderen toch hun deel kregen, al was het dan ook later dan de dag van de grondlegging van het fondament.
Verscheidene jaren heeft mevrouw Mason onder dit volk mogen arbeiden, met liefde en met geduld. Ze had haar vaste dagindeling: 's morgens reed ze van plaats tot plaats om ieder aan het werk te zetten; 's middags gaf ze les in haar school, om dan 's avonds met al de werkers en werksters samen te komen en zich te scharen rondom het Woord des Heeren. Deze uren waren de beste van de dag. Met grote aandacht luisterden de mensen naar de Woorden des levens en zij verveelden zich niet, zodat het veelal tien uur was eer ieder huiswaarts ging. De Karens zeiden dan: het is „groot-mensen-leggen-hun-hoofd-neer tijd." Ze hadden vreemde uitdrukkingen om de tijd aan te duiden: de schemering werd genoemd „broeders-zullen-mekaar-niet-kennen tijd"; de zonsondergang noemden ze „hemel-toesluit tijd", terwijl een uur of zeven 's avonds uitgedrukt wercl als „kinders-worden-slaperig tijd".
Mevrouw Mason heeft gewerkt zolang ze kon. Toen ze zich uit haar werk moest terug trekken, werd ze erg gemist. Haar gezegende werk verliep toen wel eenigszins: er gingen mensen terug naar het heidendom, dat toch steeds zoveel bekoorlijks had. Bij hen had het zaad van het Woord geen wortel geschoten; slechts de buitenkant was een weinigje beschaafd geworden.
Maar gelukkig, andere mensen stellen zich in de plaats van mevrouw Mason en deze konden niet rusten voor het verloren gebied weer heroverd was. De eeuwigheid zal eenmaal openbaren voor hoevelen het werk der zending onder de Karens tot eeuwige winst is geweest.
En van dat grote heil komt God alleen de lofzegging toe!
Zijn woord en daden dreven velen uit, z ontwaakten door hét machtig stemgeluid, maar Babel bleef in 't bijgeloof tot heden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 20 oktober 1961
Daniel | 8 Pagina's