Verderbrengende Beschouwingen
Dr. D. J. Roorda: „Partij en Factie. De oproeren van 1672 in de steden van Holland en Zeeland, een krachtmeting tussen partijen en facties." Historische studies uitgegeven vanwege het Instituut voor Geschiedenis der Rijksuniversiteit te Utrecht XVI. J. B. Wolters' Uitgeversmij N.V., Groningen, 1961. 268 blz., ing. f 15.—.
Er is over de geschiedenis der Nederlanden in de zeventiende eeuw en wel met name over de gebeurtenissen van het rampjaar 1672 al aardig wat geschreven. Het zou daarom wat overmoedig kunnen lijken wanneer iemand de beroeringen van het genoemde jaar nog weer eens in een proefschrift gaat behandelen. Van een proefschrift toch, verwacht men op zijn minst iets nieuws, en het is niet eenvoudig nog iets nieuws te zeggen over dat waarover men haast uitgesproken lijkt. Maar met het verleden is het net als met het leven: men is er nooit mee klaar! Wie zich in de geschiedenis verdiept neemt deel aan „een diskussie zonder eind." Dat men de studie die hier boven is genoemd en die als dissertatie is ontstaan, na lezing niet met een gevoel van onbevredigdheid terzijde legt, is een bewijs dat de auteur ervan niét overmoedig is geweest. Als goed historicus heeft hij het reeds bekende weer opnieuw voor ons doen leven en als goed wetenschapsbeoefenaar heeft hij toch inderdaad ook weer wat nieuws gebracht.
Schrijvers boek rust op het onderscheid: partij en faktie. Een partij is een staatkundige groepering die zoveel als mogelijk van de bevolking door een meer of minder ideële binding bij de politiek van heel het land betrekken wil. Een faktie, daarente-54 gen, wordt gevormd door een verbonden groep van plaatselijke machthebbers met hun direkte aanhang, terwijl hun binding doorgaans van zelfzuchtigheid getuigt. Nu is het zo, dat men partij en faktie nooit volkomen scheiden kan, maar niettemin is deze onderscheiding van belang. Men kan in een gestalte uit het politieke leven van de zeventiende eeuw meer 'n partijman zien, in weer een andere de typische vertegenwoordiger van een der vele fakties. Jan de Witt was uitgegroeid tot een partijhoofd, maar zijn broer Cornelis was leider van een faktie. Men heeft in de historiografie der negentiende eeuw de situatie in het rampjaar te eenvoudig voorgesteld. Sinds Fruin ziet men de woelingen van 1672 als een partijenstrijd, waaruit als overwinnaar de partij der prinsgezinden zou tevoorschijn zijn gekomen. Intussen is het ter beschikking staand materiaal vermeerderd. En Geyl heeft er reeds op gewezen dat slechts een gedeelte van het politiek gebeuren zich uit de bekende tegenstelling tussen de partijen laat verklaren. De werkelijke toestand was nogal wat ingewikkelder!
Met als achtergrond de samenleving in de zeventiende eeuw en het verloop van de gebeurtenissen in het jaar waar het om gaat, heeft Roorda voor de Hollandse en Zeeuwse steden de geschiedenis der wetsverzettingen — én uit gedrukte bronnen én uit de gegevens der archieven — bestudeerd. Uit wat hij zo verkreeg, trekt schrijver de konklusie dat de prinsgezinden enkel maar in schijn de overwinnaars zijn geweest: niet de prinsgezinden hebben toen gezegevierd, maar fakties kwamen als de overwinnaars uit de strijd. Oprechte Orangisten werden gepasseerd
Is dit nu alles nieuw? Natuurlijk niet. Er was zo hier en daar al iets bekend geworden dat in deze richting wees. Het nieuwe is dat schrijver met zijn onderscheiding van partij en faktie stelselmatig is te werk gegaan. Het resultaat van die metode is
(Vervolg op pag. 56)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1961
Daniel | 8 Pagina's