Volkeren rondom Israël
6.
Sociale verhoudingen in Babylonië
Wanneer we de sociale verhoudingen in Babylonië bezien, kunnen we drie grote groeperingen in het volk onderscheiden: ten eerste de machtsgroep, de groep van de hovelingen, zeer voornamen en adellijken, dan de grote massa van het volk, voornamelijk boeren, en tenslotte het geweldige aantal slaven.
Tussen de machtsgroep en het gewone volk was een enorme afstand. Slechts zeer weinig vorsten leefden in contact met hun volk. Bij sommige koningen was de kloof zelfs zo diep dat het lang niet iedereen beschoren was het gelaat van de koning te zien en te leven. Hammurabi was hierop een uitzondering; aan wie men grote behoefte had als de verdediger van het recht der armen en kleinen.
De hofetiquette was zeer streng, en het leven aan liet hof was vol valsheid, bedrog en kruiperij. Alle vleierij en mooie hovenlingentaal werd tehulp geroepen om te koning gunstig te stemmen. Zo noemde een hoveling zichzelf: „de hond van de koning." De koning werd alle lof toegezwaaid over zijn wijze van regeren en de vooruitgang die onder zijn bewind te constateren viel.
Van deze mooipraterij was meestal weinig waar.
De kleine boeren in Babylonië hadden ondanks de vruchtbaarheid van de grond een hard bestaan. Het kleine volk werd door de voorname stand uitgeperst en men had de grootste moeite de zware belastingen te betalen. In de steden werd belasting in geld betaald, op het platteland in natura: voornamelijk graan en vee. Ook kon men betalen in herendiensten, zoals bijvoorbeeld het graven van kanalen en het helpen bij het maken van bouwwerken. In de tijd dat het graan het duurst was moest de boer zaaikoren kopen. Had hij hier geen geld toe, dan kon hij een lening sluiten. Die lening moest hij na de oogst terugbetalen in graan. Maar dat viel juist altijd in de tijd dat het graan het goedkoopst was. Al deze opbrengsten verdwenen in de schatkisten van de grote bankiersfirma's, die samen het hele zakenleven in Mesopotamië beheersten.
Zoals we reeds in ons eerste artikel gezien hebben, traden ook de tempels op als banken. De belastingen waren dan bestemd voor de godheden. Op deze manier werden de tempels grootgrondbezitters en een van de voornaamste bankiers was de zonnegod zelf.
We zien dat de positie van de gewone man vrij slecht was, maar er was nog een klasse, die nog lager lag: de slavenmaatschappij. De behandeling van de slaven was dikwijls schandelijk slecht. De Egyptenaren kenden ook slavernij en reeds deze zachtmoedige Egyptenaren waren niet karig in het gebruik van de slavenzweep. Een Bijbels voorbeeld hiervan vinden we in de geschiedenis van Mozes, die moest vluchten omdat hij een Egyptenaar had doodgeslagen die de slavenzweep gebruikte. Hoeveel slechter zullen dan de Assyrische slaven het gehad hebben, daar de Assyriërs immers bekend stonden om hun wreedheid. De Assyriërs vonden dat de slaaf geen mens was. Het was een wezen dat tussen mens en dier instond. Een Assyrisch spreekwoord zegt het zeer duidelijk: „de mens is de schaduw van God, maar de slaaf is de schaduw van de vrije."
Had een slaaf zonen, dan mocht hij die niet als zijn eigen zonen beschouwen. Dat recht hadden slechts de vrijen.
Men kon slaaf worden door in de oorlog krijgsgevangene te worden en wanneer men zijn schulden niet kon betalen. In het laatste geval kon men ook vrouw en kinderen als slaven verkopen, maar dan verloor men dikwijls zelf toch ook cle vrijheid.
Stierf een slaveneigenaar, dan werden zijn slaven in vrijheid gesteld. Uiterlijk onderscheidde een slaaf zich van een vrije doordat zijn hoofd kaal was geschoren en door een tatouering, waardoor hij als slaaf gebrandmerkt was.
Tegen mishandeling van een slaaf bestond geen enkele wet.
Slavenhandel bestond ook. Er waren namelijk slaveneigenaars die veel meer slaven hadden dan ze nodig hadden. Deze werden dan aan anderen verhuurd en vormden zo, vooral in de oogsttijd, wanneer er gebrek aan arbeidskrachten was, een aardige bijverdienste voor de eigenaar. De huurder was dan verantwoordelijk voor de slaaf, en moest het verlies vergoeden wanneer de slaaf vluchtte of stierf of op de een of andere manier ongeschikt voor zijn werk werd.
Wanneer een slaaf vluchtte en hij werd weer gevonden, kon hij zonder meer gedood worden. Maar meestal waren hun eigenaars blij hem weer teruggevonden te hebben en lieten hem maar in leven. De sociale toestanden waren in Babylonië en Assyrië dus niet bijster best. Toch was er nog een goede kant. Dat was namelijk de positie van de vrouw. De vrouw was niet, zoals bij andere heidense volken, een minderwaardig iemand, bijna een slavin, alleen maar geschikt voor werk waar de mannen geen zin in hadden. De vrouw nam in deze samenleving een zelfstandige plaats in, en ze had een eigen kapitaal, waarmee ze voor eigen rekening zaken kon doen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 6 oktober 1961
Daniel | 8 Pagina's