Bilderdijk in het geding.
Rudolf van Reest: , , 'n Onbegrijpelijk Mens. Het leven van Mr. W. Bilderdijk." Tweede druk. Uitgave van Oosterbaan & Le Cointre N.V., Goes. 2 delen, 196 en 168 blz* gekrt. f 4.25 per deel.
Voor de eerste druk van Rudolf van Reests , , 'n Onbegrijpelijke Mens" is destijds op een ongewone manier reklame gemaakt. Deze eerste druk — in één deel — verscheen namelijk in 1940 en werd door de bezetters van ons land weldra verboden en in beslag genomen. Het boek is nogal eens als bron op een vereniging gebruikt. Daarom leek het me gewenst dit werk, nu er een herdruk — in twee nette, maar door drukfoutjes ontsierde deeltjes — van verschenen is, hier nog eens aan te kondigen.
Het is niet duidelijk of deze nieuwe druk is bijgewerkt. Op bladzij 139—140 wordt door schrijver Dr. Bosch genoemd. Men zou daaruit besluiten kunnen dat hij ook de nieuwere gegevens over Bilderdijk voor deze herdruk heeft gebruikt. Maar op het lijstje Bilderdijk-literatuur, dat achter in het tweede deel gegeven is, prijkt toch de naam van Dr. Bosch weer niet. Ook overigens merkt men niets van retouchering van het oude beeld. Zodat men konkluderen moet dat deze tweede druk een vrijwel onveranderde herhaling van de tekst van '40 is.
De leidende gedachte van dit levensoverzicht — en niet: van deze studie — is, dat Bilderdijk een groot profeet genoemd moet worden. En dat profeetschap wordt door schrijver dan gebruikt om zoveel mogelijk van Bilderdijks persoon en daden goed te praten of aanvaardbaar te doen zijn. Met het gevolg dat men dit boek niet eens de bijnaam populair —, laat staan alleen maar wetenschappelijk kan geven: er is niets wetenschappelijks, niets kritisch in! Het is een dwaas apologetisch werk!
Bilderdijk wordt hier om zijn profeet-zijn bijna zonder onderbreking opgehemeld: Schrijver prijst door dik en dun. Om van dit niet verantwoorde gedoe een indruk aan de lezers van ons blad te geven, lopen wij de beide deeltjes even door.
Al dadelijk begint de apologetiek: de dwaze uitspraken die Bilderdijk op later leeftijd heeft gedaan over zijn eerste kinderjaren, neemt schrijver goeddeels in bescherming. Hij komt daartoe met voorbeelden van wonderkinderen. Dat die er af en toe geweest zijn, nemen we wel aan. Maar ze bewijzen niets! Hier gaat het namelijk om uitspraken van Bilderdijk. We weten dat hij in verband met alle mogelijke zaken — ook in de wetenschap — dat wat hij eerst verzonnen had zolang verteld heeft tot hij het tenslotte zelf geloofde. Dat maant toch tot voorzichtigheid!
Voorzichtig is de schrijver zeker niet. Hij praat de fouten van zijn held eenvoudig goed. Bilderdijk was heftig, zegt hij, maar die heftigheid was ook onmisbaar; heftig was hij, maar .... wie die profeet was was dat niet?
Een goede illustratie van de opzet van dit werk is ook het volgende. Schrijver steekt terecht de draak met al de sombere gevoelens die men in de verzen van een toch welvarend en gelukkig modedichter zoals Feith ontmoet. Maar Bilderdijks voortdurend teatraal de laatste snik geven — gedurende decennia! — wordt goed gepraat. Hij heeft zich echt zijn hele leven stervende gevoeld, vertelt Van Reest, omdat hij meende dat hij nutteloos in 't leven was.
We staan niet overal bij stil. Het eerste huwelijk van Bilderdijk — waarover zoveel is te doen geweest — moet echter toch ter sprake komen. Schrijver spant zich in zijn held zoveel als doenlijk schoon te wassen, door.... de schuld tenvolle op zijn vrouw te schuiven. Wat uiteraard niet helemaal gelukt. We denken aan de zondige omstandigheden aan 't begin van deze echt. Bij deze schrijver over Bilderdijk komen zijn veinzerij en zelfbedrog niet tot hun recht!
Als Bilderdijk zijn zoon Elius noemt en daaraan het bekende, maar onzinnige verhaal verbindt over zijn afkomst uit zeer oude adel, glijdt schrijver over de onzinnigheid van deze stamboom heen door het profeetschap van zijn held aksent te geven. De naam Elius moet getuigen tegen de afvalligheid, is 'n godsdienstige belijdenis: de vader klemt zich — intuïtief is hij een Calvinist — aan de verbondslijn der geslachten vast en dankt er God voor. We moeten dit betoog wel zeer krampachtig noemen: een teorie om het profeet-zijn dat de schrijved overal in ziet, te redden.
Bilderdijk heeft zijn verbanning, zegt de schrijver, echt niet uitgelokt. Dit zij hem toegegeven. Maar als het tijdens deze ballingschap niet tot een opleving in de zo treurige verhouding tussen man en vrouw komt, ligt weer alle schuld bij laatstgenoemde: hij was zo goed en zo van goeden wil en zij zo onbegrijpend en zo ongevoelig. Dat Bilderdijk intussen — en wel hoe — zich aan een tweede echtgenote had verbonden en toen toch nog aan zijn eerste vrouw vertellen durfde dat hij zo naar haar verlangde, daar komt echter zelfs Van Reest niet uit. Die krachttoer valt ook hem te zwaar.' Hij noemt dat dan een „psychologisch raadsel." En het feit dat Bilderdijk naïef was en tot in 't onmogelijke vasthield aan illusies, lost dat raadsel voor hem op. Maar is men daarmee klaar? We hadden schrijver liever eerlijk horen zeggen dat zijn held hier ingemeen gehandeld heeft, verachtelijk!!!
Het tweede deel begint met stil te staan bij Bilderdijks beproeving in de ballingschap. We geloven — met Da Costa — dat zich zijn geloof in deze jaren heeft verdiept. Maar dit mag toch geen reden zijn om al zijn grilligheden en de moeilijkheid van zijn karakter goed te praten, zoals onze schrijver doet? Bilderdijk komt in zijn vaderland terug, maar hij krijgt geen betrekking naar zijn zin. Schrijver vindt dat erg voor Nederland. En zelfs als Bilderdijk haast nergens wonen wil — want overal is er wel wat — weet schrijver daar nog een goed puntje aan te draaien. Wat een prestatie is! Als men zich moeite geeft om Bilderdijk te helpen aan een baan en deze er niet aan wil, dan ligt de schuld weer niet bij Bilderdijk, maar bij zijn weldoeners, want .... Bilderdijk is een genie, terwijl zijn weldoeners maar dwergen zijn!
Van Reest staat bijna nergens voor. De „Ode aan Napoleon" verdedigt hij. En als dan Bilderdijk verklaart dat hij het niet de moeite waard vindt op kritiek — en 't was kritiek die gerechtvaardigd was! — te antwoorden, vindt schrijver dat geweldig : zo'n reus kan zich ook moeilijk met die onbenulligheden gaan bemoeien!
Lodewijk Napoleon heeft Bilderdijk op allerlei manieren willen helpen. Telkens gaf hij hem b.v. weer een ander huis, in telkens weer een and're plaats, maar Bilderdijk is daar dan telkens niet tevreden mee. Schrijver reageert daar op als volgt: zo moest de man verbitterd door het leven kruipen! Men vraagt zich af: „Hoe is het mogelijk? "
Dat Bilderdijk verbitterd door het leven ging, geeft schrijver dus volmondig toe. Ook wil hij wel erkennen dat een kristen dat niet mag. Maar niettemin vindt hij voor Bilderdijk een oplossing: die droeg tenslotte als profeet de last van heel zijn eeuw!
Een uit te geven werk over geschiedenis werd door de Fransen al verboden voor het was geschreven. Van Reest maakt daar nogal wat drukte over. Wij vragen echter: „Was het dan niet beter zo, ook voor de schrijver Bilderdijk? " Zijn latere geschiedenis in vele delen is toch werkelijk ook geen reklame voor zijn wetenschappelijke nagedachtenis!
Schrijver is van mening dat — na 1813 — koning Willem zich ondankbaar tegenover Bilderdijk betoonde. De feiten wijzen daar niet op. Bilderdijk kreeg een aanzienlijk jaargeld van de koning. En dat hij geen hoogleraar in de Nederlandse taal-en letterkunde is geworden, is iets waar men dankbaar voor moet zijn. Op Bilderdijks taalkundig werk — en hij schreef vele werken over taalkunde — valt niet te roemen: het zijn maar invallen; de wetenschap ging er een eeuw of wat mee achteruit. En dat nadat Ten Kate hem een wetenschappelijke weg gewezen had! Maar Bilderdijk — het zij hier tot zijn schande nogeens weer gezegd — zag met verachting op Ten Kate neer. Lambert ten Kate was — het feit wordt algemeen erkend — een taalgeleerde van formaat, of, om Van Reest zijn taal eens te gebruiken, een wetenschappelijke reus, waarbij, als men hen vergelijkt, de taalgeleerde Bilderdijk maar een dwaas dwergje was. Een dwergje dat brutaal genoeg werd om zijn mond te durven openen teneinde.... reuzen te beschimpen! Maar dat zegt schrijver niet!
Blijft er van Bilderdijk dan helemaal niets over? Toch wel, en nog genoeg! We komen aan het einde van het tweede deel. Dit einde is het enige gedeelte van het hele werk dat voor ons werkelijk aanvaardbaar is — afgezien van stekelige uitvallen aan het adres van scholastieke godgeleerdheid en mystieke mensen, die men hier — en elders in dit werk — zo af en toe eens tegenkomt. Bilderdijks verdienste is — en we erkennen dat met dankbaarheid — dat hij op 't einde van zijn leven door zijn invloed op Da Costa en zijn andere discipelen een geestelijk ontwaken van ons volk bevorderd heeft, waarvan de sporen ook in onze tijd nog niet zijn uitgewist. Wat dat betreft zijn wij het met de schrijver haast volkomen eens. Maar wat heeft hij gedaan? Terwille van die niet te onderschatten dienst van Bilderdijk aan Nederland heeft hij diens hele leven mooier voorgesteld dan het in waarheid is geweest. En dat wil er bij ons niet in!
De taal waarin dit werk geschreven is laat veel te wensen over. We geven maar een enkel voorbeeld. In deel I op bladzij 100, regel 2 en 3 spreekt schrijver van een „aanvoelen en terugdeinzen van wat komen gaat." De konstruktie van de grote zin
(Vervolg op pag. 48)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1961
Daniel | 8 Pagina's