Opmerking vooraf:
Ons vorige diskussieonderwerp: „De Bijbel op de openbare school." is wel afgesloten, maar ik zie mij genoodzaakt er nog éénmaal op terug te komen. Op een gegeven moment gaf ik de mening weer van een „schoolhoofd", tenminste, dat dacht ik. Ik heb daarbij echter een grove fout gemaakt, die ik graag eerst herstellen wil. De bewuste brief was nl. niet van het hoofd der school, maar van zijn zoon, die net zo heet als zijn vader. Ik had dat kunnen weten, want er stond duidelijk „Jr." (junior) achter de naam. Ik heb dat echter over het hoofd gezien. Mijn oprechte excuses daarvoor. Ik hoop voortaan beter uit te kijken. De vader was het trouwens heel niet met zijn zoon eens, zoals mij uit een brief van hem bleek, vooral niet over de zinnen: „Heel in de verte zie ik weer de openbare school met de Bijbel, het ideaal enz." en: „De verschillen, welke tussen de kerken bestaan, betreffen meestal ondergeschikte punten." Hij schrijft, dat al belijden de kerken nog wel zo ongeveer de drie formulieren van enigheid, maar in de praktijk verschillen ze hemelsbreed. We kunnen en mogen ons niet verenigen met die richting, waar het verstandelijk geloven op één lijn gesteld wordt met het geloof, door Gods Geest gewerkt in de harten van Gods volk."
Mijn fout hoop ik dan hiermee weer recht gezet te hebben. Hiermede is dan de diskussie over dit onderwerp definitief gesloten.
De wereldraad van kerken.
Over dit onderwerp heb ik een brief voor me liggen uit Nieuw-Beijerland. Daarin komt uit, dat er steeds meer mensen, vooral jongeren, onder de bekoring komen van de Wereldraad van leerken. Schrijver hoopt, dat er onder onze jongeren geen pro-wereldraadjongeren zijn. Wanneer de interpretatie van de basis van de wereldraad een eigen aangelegenheid is, waar komen we dan terecht? Een ieder kan dus de basis tot zijn eigen bevrediging uitleggen, waaruit blijkt, dat ook bijna alles lid kan worden. Hoe meer briefschrijver over de wereldraad van kerken leest, hoe meer hij gevoelt, tegen die organisatie te moeten protesteren.
Uit de Meern bij Utrecht kreeg ik een lange brief over de wereldraad. Hij is het over veel dingen, die ik in de inleiding schreef, niet eens, b.v. Met de oecumenische beweging bedoelt men het streven naar hereniging van kerken, dus niet van gelovigen. Als ik het goed begrepen heb, vindt hij „kerken" en „gelovigen" hetzelfde. Hij geeft de verklaring weer van de commissie voor „Geloof en Kerkorde" van de wereldraad, die luidt: „De eenheid, die zowel Gods wil als Zijn gave aan Zijn kerk is, brengt in iedere plaats allen, die Christus Jezus als Heer belijden, in een hechte gemeenschap tesamen, door één Doop met elkander in Hem verbonden, in het éne Apostolische geloof blijvende, het éne Evangelie predikende en het ene Brood brekende, als één gemeenschap levende, die zijn getuigenis en dienst tot allen richt en hen tegelijk verenigt met de ganse gemeenschap van christenen in alle plaatsen en in alle eeuwen, op zodanige wijze, dat alle ambtsdragers en leden over en weer erkend worden en dat allen in alle taken, waartoe God de kerk roept, met elkander kunnen handelen en spreken al naar de omstandigheden vereisen." Volgens briefschrijver gaat het, gezien deze verklaring, dus in de eerste plaats over de gelovigen.
Ik acht deze verklaring ongenoegzaam, omdat vele theologen de Bijbelse en confessionele terminologie met een andere inhoud vullen en zo ook in afwijkende zin spreken over de Godheid van Christus. U weet ook wel, dat vele vrijzinnigen in de wereldraad vertegenwoordigd zijn, die dikwijls uiterst links georiënteerd zijn, b.v. Dr. H. E. Fosdick, die verklaarde: „De Goddelijkheid van Jezus verschilt van de onze in graad, maar niet in soort." Zo is het ook mogelijk, dat iemand die de uitspraak van het Concilie van Chalcedon over de Godheid en mensheid van Christus „gedistilleerde onzin" noemde, tot de leiders van de wereldraad behoort. Zelfs groepen, die de Drieëenheid en dus ook de Godheid van Christus openlijk loochenen, werden lid. Zo worden in de wereldraad de grootste tegenstellingen gevonden en toch spreekt men herhaaldelijk over de „eenheid in Christus."
Het behoeft m.i. geen betoog, dat we dan beter niet meer over „gelovigen" gaan diskussiëren. Ik heb over gelovigen een ander idee. En wat de kerk betreft, slechts deze opmerking: er dient onderscheid gemaakt te worden tussen de zichtbare en de onzichtbare kerk. Volgens u is het doel: getuigenis, dienen, eenheid, geen organitorische eenheid. Volgens de conferentie van Edinburgh in 1937 moet „corporatieve eenheid" voor de grote meerderheid der Christenen het ideaal blijven, d.i. de een of andere vorm van een verenigde kerk. Het bestaan van verschillende kerken is in oecumenische kringen dikwijls bestempeld als „zonde" (aartsbisschop Temple.) De meest prominente leiders hebben herhaaldelijk en met nadruk uitgesproken, dat een verenigde kerk het doel der beweging is. Dr. E. Stanley Jones voorspelde op 28 december 1953 in St. Louis, dat „er binnen tien jaar een Verenigde Kerk van Amerika kan zijn" en dr. T. C. Chao ging zo ver, dat hij de volgende voorspelling waagde: „Mogelijk zal de universele kerk reeds binnen dertig of vijftig jaar werkelijkheid zijn."
Over de exegese van Joh. 17 : 21 diskussiëer ik niet verder. Ik blijf bij mijn mening uit mijn inleiding. De eenheid van de Vader en de Zoon is het patroon voor de eenheid der gelovigen en hun gemeenschap met de Vader en de Zoon is de fundering van deze eenheid. Deze eenheid bestaat dus niet uit iets uitwendigs. Wat de eenheid der gelovigen uitmaakt, is dat Christus hen verenigt en door Christus de Vader.
U ziet wel, mijnheer O., dat ik het niet met U eens ben.
En de lezers van „Daniël"? Ik kan niet te uitvoerig zijn en het is ook niet de bedoeling, dat U uitsluitend met mij diskussiëert, maar onderling, lezers met lezers. Ik wacht belangstellend op uw brieven.
Een lezer uit Veenendaal meent, dat onze richting in het algemeen geen voorstander is van de Wereldraad. Toch vraagt hij zich af, of er geen argumenten te vinden zijn, die ons aan de wereldraad van kerken binden. Hij wijst er op, dat aan het instituut „Kerk en Wereld" te Driebergen sinds kort een Herv. Ger. predikant verbonden is. „Indien hij zijn belijdenis met recht uitdraagt, zou hij onder Gods zegen nog wel eens baanbrekend werk kunnen verrichten." Schrijver vraagt zich nu af, of het niet wenselijk zou zijn, dat ook in de wereldraad de stem van de aloude Ger. belijdenis gehoord zou worden? Ik zou hierover graag de mening van de lezers willen horen.
Uw tip voor een nieuw onderwerp neem ik dankbaar in overweging. Ik had er ook al over gedacht. Na dit onderwerp gaan we echter eerst praten over de
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 22 september 1961
Daniel | 8 Pagina's