Levend in alle eeuwigheid
„En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: rees niet, Ik ben de Eerste en de Laatste en Die leef, en, ik ben dood geweest en zie: k ben levend in alle eeuwigheid. AMEN". (Openb. 1 : 17, 18)
(Slot)
Wij hopen ditmaal de serie meditaties over de hierboven aangehaalde tekst te besluiten.
De vorige keer stonden we erbij stil hoe Christus Zich aan Johannes openbaarde als de eeuwig levende.
Omdat Christus nu leeft, zal ook Zijn kerk leven en niet in de dood verzinken. Daarom kon de dichter zingen: „Ik zal niet sterven, maar leven en de werken des Heeren vertellen".
bij zich-Hier ligt dan ook een rijke 1 voor door schuld verslagen zondaressen, die hun leven zelf kunnen vinden. moediging ndaren en
Jezus is de Levende en getuigt het tot degenen, die zich leren kennen als midden in de dood te liggen: „Ik leef en gij zult leven."
Hij zegt in onze tekst: „En zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid, Amen." Het woordje „Amen" wil hier zeggen: Het is vast en bondig en daarom: rust er in, leef eruit.
Wat zou er van Gods gunstgenoten worden, als Jezus niet leefde en een dode was geweest! Dan waren zij een prooi des verderfs en gingen de ondergang tegemoet. Doch nu, welk een blijde toekomst wacht allen, die Hem waarlijk kennen en als een verloren mens Hem als Zaligmaker hebben ontmoet. Daar HIJ leeft, kan Zijn volk niet sterven, maar zal leven door Hem en straks erven het zalige goed, dat Hij verwierf met de prijs van Zijn bloed.
Als ge nog vreemdeling van de genade zijt, lezer, dat het U in jaloersheid op dat rijke deel van Gods Kerk uitdrijve tot de troon der genade.
Ja, Christus is de Levensvorst, maar Hij is ook de Machthebber des doods, want we lezen ten laatste in onze tekst: „En Ik heb de sleutelen der hel en des doods." Ik bezit die sleutels, zegt Christus. Hij sluit en niemand opent; Hij opent en niemand sluit.
Met „hel" en „dood" worden de doodsmachten bedoeld, waarin de mens besloten ligt krachtens zijn diepe val in Adam. En de sleutels, waarvan Christus in onze tekst spreekt, wijzen op macht, op beschikkingsrecht.
Wanneer oudtijds een stad veroverd was, gaf de generaal, die de stad tevergeefs verdedigd had, de sleutels van de stadspoort aan de overwinnende veldheer. Daarmee werd de nederlaag erkend.
En zo nu hebben hel en dood hun sleutels aan Christus moeten geven, daar Hij beide overwonnen heeft.
Over de doodsmachten bezit Christus alle macht. Hij heeft de sleutels, dat wil zeggen het beschikkingsrecht over hel en dood. Hij kan in de dood doen af dalen wie Hij wil, maar Hij kan ook aan de dood gebieden haar doden weer te geven. Denk aan Lazarus, aan de jongeling te Naïn en aan het dochtertje van Jaïrus.
De Levensvorst voert heerschappij over het rijk des doods. Hij heeft de sleutels van hel en dood. Ook van de dood van ons natuurlijk hart, want Hij getuigt: „Ik maak levend, die Ik wil".
De sleutel van ons dode hart van nature hangt aan Jezus' gordel, want anders zou het eeuwig besloten blijven. Hij opende het hart van Lydia.
Ja, ook na ontvangen genade kan het hart der Zijnen zo gesloten zijn, maar Hij is de Sleuteldrager.
O, zo zien we de Heere Jezus staan aan de deur van het hart van Zijn bruid, zoals we in het Hooglied lezen. Die bruid rustte op haar bekering, ze had haar rok uitgetogen en lag neer op het bed der zorgeloosheid. Daar komt Hij, Zijn hoofd is vervuld met dauw en Zijn haar met nachtdruppen. „Doe mij open" — en daar steekt Hij Zelf de sleutel in het slot, in het slot van de deur die open behoorde te zijn. Want wie heeft het recht om Hem buiten te sluiten en aan de deur te laten staan? Maar
zie, Hij is de Eerste en opende Zelf de deur.
Lezers, is dat de behoefte Uws harten, dat Hij Zelf de gesloten deur van Uw hart zal openen, bij aanvang door de verheerlijking van wederbarende genade, maar ook bij vernieuwing?
Want straks zal Hij, Die de sleutelen van hel en dood heeft, ook de deur des grafs openen, wanneer de stem des archangels zal klinken: „Staat op, gij doden en komt ten oordeel"!
Dan zullen al de Zijnen opgewekt worden met een verheerlijkt lichaam en dan, vanaf de jongste dag, gaat de deur des hemels voor eeuwig open, want hemel en aarde worden dan verenigd, zodat Johannes kon schrijven tot vertroosting van Gods gemeente: „De poorten zullen des daags geopend zijn, want aldaar zal geen nacht zijn."
De hemelpoorten gaan dan open en het nieuwe Jeruzalem zal uit de hemel nederdalen.
Maar ook zal de bodemloze put des afgronds zich openen voor alle goddelozen en dan zal die put voor altijd gesloten worden.
Wat is de toekomst, lezers? Kust de Zoon, opdat Hij niet toorne.
„Wie Hem need'rig valt te voet, zal van Hem Zijn wegen leren".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1961
Daniel | 8 Pagina's