Een bladzijde voor en van onze jeugd
Een praatje vooraf.
Jullie grijpen vrijdags natuurlijk direct naar ons blad en zoeken dan gauw onze bladzijde op. Wie zou er nu iets opgestuurd hebben en zou er wat van mij instaan? Ik begrijp dat wel en ik hoop, dat we nog vele jaren onze bladzijde in „Daniël" mogen vullen. Het is me iedere veertien dagen weer een genoegen een bladzijde te schrijven. Maar nu zit ik in moeilijkheden, want ik weet nog niet hoe dat ik onderaan moet komen.
Er is namelijk geen enkel opstel binnen gekomen. Ik heb er nog twee, maar die wil ik bewaren tot ze beter bij de tijd passen. Het ene gaat over „De Lente" en het andere over „Maarten Luther"; die plaatsen we over een poosje wel. Gedichten heb ik nog genoeg, maar ik kan de hele bladzijde toch niet vullen met gedichten! Jullie hebben me in de steek gelaten hoor, en nu zit ik er mee! Zullen we dan aan de redactie schrijven dat onze bladzijde komt te vervallen? Dat zou toch jammer zijn, want ik weet, dat velen, ook ouderen, ons hoekje juist graag lezen. Nee, ophouden doen we niet. We gaan door, maar dan reken ik er op dat we allemaal een mooi opstel maken. We spreken dus af dat ik over veertien daag op z'n minst vijftig opstellen heb. Het geeft niet waarover. Als ze maar mooi zijn. Is dat afgesproken? Dan zal ik nu proberen of we toch nog een mooie bladzijde kunnen krijgen.
Ik was laatst ergens en daar zongen ze een mooi lied. Ik vond het zo mooi, dat ik dacht, dat moet eens in „Daniël" komen. Jullie kennen het misschien wel, anders leer je het maar eens.
Het juichend Juda
Wanneer die blijde dag genaakt, Dat Gij o Heer de banden slaakt Van Uw verdrevelingen; Dan zal Uw volk dit zegelied, Wanneer 't Uw Tempel wederziet, Op blijde tonen zingen. Uw Kerk o Oppermajesteit Rust op de Rots der eeuwigheid, Die stormen kan verduren, De Heere is Zijn volk tot heil Haar sterkte tegen Babels pijl, Hij waakt voor hare muren.
Ontgrendeld bij trompet en trom, De deuren van het heiligdom, Heft troonwaarts hart en handen, Laat Sions blijde tempelschaar Het offer op het dankaltaar Nu vrolijk doen ontbranden. Want zeker dit besluit staat pal, Dat Sions volk de vrede zal Bewaren en verkonden; Ook hebben zij op U vertrouwd En, die op zulk een Rotssteen bouwt, Bouwt op geen losse gronden.
't Hoogmoedig volk zal niet bestaan, 't Zal Babel zoals Tyrus gaan Die 't hoort zal zich ontzetten, 't Ellendig volk zal met de voet, Hem, die de hoogmoed zwellen doet, Vertreden en verpletten. Hoe veilig is het effen pad Van 't volk, dat reist naar Salems stad, Messias' vredezalen; Zij krijgen in dit tranendal Waar die hun sporen wegen zal. In welgeijkte schalen.
Dit gedicht is van Groenewegen en kan gezongen worden op de wijs van Psalm 68. Zingen jullie thuis wel eens, jongelui? Vroeger werd er veel meer gezongen dan tegenwoordig. Vooral op de zondagavonden, dan zong het hele gezin mee, terwijl er een speelde. Dat was gezellig. Oude mensen zeiden wel, met zingen houd je de duivel op een afstand. Een zondagavond zingen jullie dus met vader en moeder dit mooie lied, nietwaar!
De antwoorden
van de opgave van de vorige keer heb je zeker wel gevonden? De verschillende woorden waren: Mattheus, Abigaïl, Midianieten, Thessalonicensen, Nicodemus, Filistijnen, Tyrannus, woestijn, Adonizedek, loofhuttenfeest, synagogen, profeet, Zedekia, gebouw, heden, vrolijk, verdrieten, zegen, hoofdzaak. De 117 letters vormden deze tekst:
Een iegelijk dan die deze Mijne woorden hoort en ze doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op een steenrots gebouwd heeft. (Matth. 7 : 24).
Een Middeleeuws opstel.
In een boekje vond ik dit verhaaltje. Het is al heel oud, maar het is wel aardig voor die jongens en meisjes die wel eens ruzie met elkaar hebben.
Twee oude broers
Twee oude broers leefden al vele jaren samen en hadden nog nooit met elkaar ruzie gehad. Op zekere dag zei de een tegen de ander: „Laten wij toch ook eens ruzie maken, net als andere mensen dat zo dikwijls doen." De andere antwoordde: „Ik weet niet hoe je ruzie moet maken." „Wel, " zei de eerste, „dat is erg gemakkelijk. Ik leg hier een klein steentje tussen ons in en dan zal ik zeggen: Dat is van mij, maar dan moet jij zeggen: Nee, het is van mij, en dan zullen we ruzie krijgen." Dat werd gedaan. Toen zei de eerste: „Dat steentje is van mij." „Nee, " zei de ander, „dat steentje is van mij." De eerste zei daarop: „Je hebt gelijk, dat is waar, het is van jou, neem het maar en ga weg." Zo gingen ze uiteen, want ze konden geen ruzie maken. Nu, wat zeggen jullie wel van zo'n ouderwets verhaaltje? Zijn jullie ook zo vredelievend als die twee oude baasjes. Zij hadden de moeilijkheden gauw opgelost. Kunnen jullie het ook zo vlug?
Een gedicht.
Niet begrepen en toch . ... de waarheid zult gij horen.
't Was in de dagen der vervolging Toen men nog hagepreken hield, Dat men, ondanks des vijands woeden, Bleef met een eed'le geest bezield. Toen was er een prediker gekomen Die in de bossen preken zou. Een vrouwtje is van ver gekomen Daar zij hem gaarne horen wou. Zij had gehoord: Eerst zou hij preken (Gewoonlijk voor een grote schaar) Dan zou hij avondmaal bedienen. Ook zij wenst aan te zitten daar. Ook zij wil 's Heeren dood verkonden, Ofschoon ze er voor lopen moet En, veel gevaren moet trotseren, Toch wat haar overkomt is goed. Heel vroeg is zij op weg getogen. Ruim vijftig mijlen moet ze gaan. Als z' aan de rand van 't bos gekomen Geboden wordt om stil te staan Het zijn soldaten, die daar waken, Ze vormen om het bos een kring Om zo het volk maar te beletten Dat het daar ginds niet luist'ren ging. 't Oud moedertje wordt aangehouden. „Waarheen de reis, " zo vraagt men haar. Zal ze een leugen gaan verzinnen Om toch maar te komen daar? Maar neen, ze zal de waarheid spreken: „Weet gij niet wat ik ginder doe? Mijn oudste broeder is gestorven En nu ga ik er dus naar toe. We hopen d'erfenis te delen, Die deze Broeder achterliet, Daar komen ook mijn broers en zusters Dat's dus mijn reisdoel zo ge ziet." „Ga dan uw gang, dat's niet verboden." En toen men haar passeren liet, Had zij de waarheid wel gesproken, Maar toch, men begreep haar niet.
Dit gedicht werd opgestuurd door Gerrit van Engelen uit Nunspeet. Hartelijk bedankt Gerrit. Nu is onze bladzijde toch nog vol geworden. Ik krijg dus van jullie allemaal zo gauw mogelijk een brief. Allen hartelijk gegroet.
Pr. Bernhardlaan 27 — Dirksland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 8 september 1961
Daniel | 8 Pagina's