EEN GEESTELIJKE GRENSGESTALTE VAN FORMAAT.
Dr. Cornelis Pieter van Andel: „Gerhard Tersteegen". Uitgave van H. Veenman & Zonen N.V., Wageningen, 1961. 211 blz., ing. ƒ 15.—.
De verschijning van een Utrechts proefschrift over de beroemde mysticus uit Mülheim heb ik met uitbundigheid begroet. Tersteegen toch is een van die merkwaardige figuren die iemand voortdurend bezighouden, als hij ze eenmaal heeft ontmoet. Met opzet zeg ik niet: „ontmoet in het verleden"; tussen heden en verleden is voor de historicus geen grens! Nu weet ik niet wanneer het was dat ik Tersteegen voor het eerst ontmoette, maar in elk geval verdiep ik mij reeds jaren in zijn werk. Met aandacht volg ik ook al even zoveel jaren wat er in het buitenland gezegd wordt over hem. Ja, in het buitenland, want in ons land is er aan hem — ten onrechte — op universitair niveau in het verleden vrijwel niets gedaan. In Duitsland was dat anders. Sinds meer dan honderd jaar verschijnen daar met tussenpozen studies over hem. De laatste tijd sprak bovendien ook Zwitserland zijn woordje mee. En nu heeft dan Tersteegen eindelijk ook onder ons die aandacht eens gekregen die hij als persoon en om zijn werk verdient.
Het was niet de bedoeling van de schrijver enkel biograaf te zijn. Niets minder dan een samenvattend werk betreffende Tersteegen stond hem voor de geest. Dus neemt hij deel aan de diskussie rondom zijn gedachten, levenshouding, werk en invloed. En hij heeft zich grondig in zijn onderwerp verdiept! Welbewust heeft hij zich echter één beperking opgelegd. De techniek van de gedichten wil hij liever niet behandelen, daar anderen dit eerder — en uitvoeriger —deden. Is het bescheidenheid, dat hij als teoloog zich niet op het gebied der letterkunde wil bewegen? Ook zonder zich aan technische spitsvondigheden te bezondigen had schrijver aan Tersteegens dichterschap — belangrijk als het is — meer aandacht kunnen schenken. Het desbetreffende gedeelte van het hoofdstuk over zijn persoon en werk is nu wat mager uitgevallen, en dat ten koste van de kompositie van 't geheel.
Tersteegens leven wordt hier goed beschreven. Niet minder goed vind ik —-en dat is uiteraard een kernstuk van het boek — het hoofdstuk over zijn teologie. Hierbij sluit naar de inhoud aan het laatste hoofdstuk, een plaatsbepaling van Tersteegen in de kerkgeschiedenis — natuurlijk óók een hoofdstuk van belang. Men treft in zijn geloofsbeleving en zijn teologische gedachten noties aan die hem verbinden met de reformatie, nader: het gereformeerd protestantisme. De grenzen hiervan overschrijdt hij evenwel op bijna alle punten. Andere gegevens wijzen op een meer dan oppervlakkige verwantschap met de quietistische mystiek De laatste konsekwenties van de quietistische mystiek aanvaardt Tersteegen echter niet! Met de konklusie van de schrijver — hij was ook geestelijk een grensbewoner, die zijn domicilie in het quietisme koos, maar die de band met wat men het gereformeerde piëtisme noemt niet doorsneed — kan ik mij in hoofdzaak wel verenigen. Alleen zou ik de nadruk iets meer op de reformatie willen leggen, op het gereformeerde in Tersteegen dus. Het heeft geen zin om over zo'n aksentieverschuiving te gaan redetwisten, temeer daar zij waarschijnlijk enkel het gevolg is van het feit dat mijn begrip van reformatie en gereformeerd protestantisme anders is genuanceerd dan dat van schrijver.
In het laatste hoofdstuk wordt ook een en ander meegedeeld omtrent Tersteegens invloed, evenals dat trouwens het geval was in een voorgaand hoofdstuk over zijn kontakten Ik had de beschrijving van die invloed graag uitvoeriger gezien, met name tegen 't einde van het laatstgenoemde hoofdstuk Daar gaat het over invloed ook in Nederland. Direkt zij toegegeven dat een dergelijke invloed moeilijk is te peilen. Maar over de vertalingen van werken van Tersteegen in het Nederlands en hoeveel drukken die beleefden, zegt de schrijver niets. En juist een nauwkeurig; overzicht van de verschillende vertalingen en drukken — nog tijdens 't leven van de schrijver, en ook na zijn dood — zou wat meer houvast hebben kunnen geven bij het op zichzelf zo moeilijke bepalen van Tersteegens invloed in ons land. Helaas heeft zich de schrijver hieraan niet gewaagd. De mededelingen aan 't eind van hoofdstuk drie zijn te spaarzamelijk. Waarom toch, eigenlijk? Er zijn verschillende vertalingen geweest. Was het de schrik voor speurwerk die de schrijver heeft weerhouden zo zijn werk te vervolledigen? Waarschijnlijk wel. Ook van de oudste Duitse drukken mist men in dit boek een overzicht De bibliografie is schrijvers sterkste zijde niet. Ik kom daar aanstonds op terug. Eerst wil ik nog een ogenblik bij 't peilen van Tersteegens invloed blijven staan. Schrijver had nog verder kunnen gaan dan het verzamelen van de gegevens over oude drukken. Zouden er in boekerijen en archieven ook geen bronnen meer in handschrift zijn die hier wat licht verspreiden kunnen? Ik kan 't me haast niet voorstellen! Zelf! bezit ik in oud handschrift een volledige vertaling in het Nederlands van 't derde deel der zogenaamde Duitse Brieven. Dat zegt toch wat. Er moet veel meer geweest zijn en nóg zijn. Zo goed als zeker zou hier een verkenningstocht nog kunnen leiden tot verrassend resultaat.
Maar ik zou nog een en ander zeggen op 't gebied der bibliografie. Uit het overzicht der bronnen blijkt dat schrijver van de werken die gedrukt zijn een volkomen willekeurige editie voor zijn studie heeft gebruikt. Daar hij dit op geen manier verantwoordt, moet ik daar wel tegen protesteren. Het ligt voor de hand dat men voor wetenschappelijke arbeid óf de eerste uitgaaf neemt, óf, als die later is veranderd, de laatste die de schrijver zelf nog heeft verzorgd. Dat is in elk geval een weg die veilig is. Tenzij er een moderne, kritische editie is waarop men evenzeer vertrouwen kan. Als voorbeeld neem ik maar de „Weg der Wahrheit". Schrijver heeft daarvan — en zonder motivering — een Keulse uitgave gebruikt uit 1865. Wellicht is die betrouwbaar, maar ik weet het niet. Hoewel ik zelf ook een moderne uitgaaf van de „Weg der Wahrheit" heb, gebruik ik die haast nooit. Ik geef de voorkeur aan een andere editie die ik heb, de laatste die Tersteegen zelf heeft uitgegeven, in Solingen, een jaar voordat hij stierf. Van de schrijver van een akademisch proefschrift mag men eisen dat hij niet alleen zijn bronnen heel nauwkeurig opgeeft, maar dit, waar dit nodig is, ook doet met redenen omkleed. Dit laatste nu doet schrijver niet. Ik neem wel aan dat het aan zijn beschouwingen niet afof toedoet, maar het is metodisch fout.
Slordigheid die met het juistgenoemde samenhangt valt voorts te konstateren in de lijst van werken die geraadpleegd zijn. Boeken waarvan in de tekst een meer of minder ruim gebruik gemaakt is, vindt men in die lijst soms niet terug. Op bladzij 28 noemt de schrijver in noot 6 de mooie bloemlezing die Walter Nigg een jaar of wat geleden uit Tersteegens werk gegeven heeft. Maar in de lijst zoekt men dit werkje tevergeefs. Wanneer de schrijver 't over Gottfried Arnold en zijn invloed op Tersteegen heeft, verwijst hij in de noten bij zijn tekst herhaaldelijk — dat spreekt vanzelf — naar het bekende werk van Erich Seeberg. Maar in de lijst zoekt men het tevergeefs. Bij het noemen van de uitgaaf van „Tersteegens Geistliche Lieder" door Wilhelm Nelle (Gütersloh, 1897) was het voor sommige gebruikers wellicht van belang geweest er op te wijzen dat er van die uitgave twee soorten eksemplaren zijn, één als door de schrijver is gebruikt en een zogenaamde „Textausgabe", zonder de „Lebensgeschichte des Dichters und seiner Dichtung" dus.
(Zie vervolg pag. 32)
Onaanvaardbaar in een wetenschappelijk geschrift is het citeren naar een druk die al verouderd is. Schrijver doet dit niettemin bij algemeen bekende werken. Ik noem alleen de schrijvers maar: Heussi, Niesel, Reitsma. Ongewoon is ook in deze studie het verwijzen naar vertalingen bij werken die in hun oorspronkelijke vorm voor iedere studerende bereikbaar zijn. Ik wijs op „Grote Heiligen" door Walter Nigg en op „Het Heilige" door Rudolf Otto.
Verder is er hier en daar zo een en ander aan te merken. Bij kleine spellingongerechtigheden en een enkel drukfoutje sta ik maar niet uitvoerig stil. „Quietische" mystiek in plaats van quietistische {op blz. 191 in regel 27) misstaat nog wel het meest. Akeliger zijn vergissingen bij namen. Zo moet op bladzij 23 in noot 3 Nethenius veranderd worden in Nethenus; op bladzij 134 in noot 4 staat Lydus, wat natuurlijk Lydius moet zijn, en Hornbeck, waarvoor Hoornbeek moet gelezen worden. Nog ernstiger verminking valt te konstateren in noot 5 op bladzij 186: „H. A. Franke", terwijl ieder August Hermann Francke kent. Een laatste spellingfout in namen die ik noem vindt men op bladzij 66. Schrijver geeft daar Freudenburg als woonplaats van een man met wie Tersteegen brieven heeft gewisseld, J. C. Stahlschmidt. Maar deze kwam uit Freudenberg. Deze zelfde Stahlschmidt, een man met een merkwaardige en zeer bewogen levensloop, is ook persoonlijk met Tersteegen in kontakt gekomen. Hij heeft hem meer dan eens bezocht en heeft daar zelf wat van verteld in een omvangrijk autobiografisch werk, de „Pilgerreise zu Wasser and zu Lande" (Neurenberg en Mülheim, 1799). Het boek werd uitgegeven met een lange voorrede van niemand minder dan Jung-Stilling, die daarin uitvoerig de figuur en de gedachten van Tersteegen tegen allerlei bestrijders in bescherming neemt. In het begin van deze eeuw verscheen er een (bewerkte) herdruk van. 't Geheel is ook in 't Nederlands vertaald, en wel als „Pelgrims Reis te Water en te Lande", uitgegeven bij Van Vliet „te Amsterdam" in 1803 (het titelblad verzwijgt de naam van de auteur, maar onder zijn portret staat die voluit). Dit alles is de schrijver van dit proefschrift blijkbaar onbekend gebleven. Intussen is het de vermelding waard!
Ik ga nog even door. Op bladz. 23 in noot 3 moet 1754—1757 veranderd worden in 1654—'57. Proosts proefschrift over Lodenstein — men zie de lijst — is niet van 1830, maar van 1880. Op bladzij 172, noot 1, noemt schrijver de drie generaties Alting die bij ieder kerkhistoricus in Nederland bekend verondersteld worden. Menso Alting, evenwel, is nooit hoogleraar, doch enkel predikant geweest in Emden. Zijn zoon Henricus, was niet alleen in Heidelberg professor, maar daarna ook jarenlang in Groningen, en wel met ere! Op bladzij 117 in regel 21 en in regel 35/36 staat: „de enige onfeilbare richtsnoer." Dit is geen goed Nederlands. Zo is het ook met „het laatste woord der eerste regel", bladzij 178 noot 2. Lelijk is op bladzij 118 „de élite der bekeerden." Zo'n uitdrukking hoort in een wetenschappelijk geschrift niet thuis, 't Aksent moet er tenslotte ook al niet meer bij.
De technische verzorging van het boek laat iets te wensen over. Op alle bladzijs is de lengte van de tekst gelijk, terwijl op sommige het aantal noten heel wat regels vraagt, op andere zo goed als geen. Gevolg: de bladspiegels zijn ongelijk. Het maakt een wat goedkope indruk. De naam van schrijver is met beide voornamen voluit op 't titelblad gekomen. Dat ziet men echt niet vaak. Een mooie foto van een brief in 't handschrift van Tersteegen is als illustratie aan de studie toegevoegd. Maar de transkriptie van die brief op bladzij 196 is niet volkomen zuiver. Dat een register van personen aan een werk als dit ontbreekt, beschouw ik als een wezenlijk gebrek. Ook had een boek als dit gebonden moeten zijn.
Ik ben begonnen met te zeggen dat mij de verschijning van dit proefschrift een uitzonderlijk genoegen heeft gedaan. Wie nu, na deze reeks van op-en aanmerkingen menen mocht dat mijn aanvankelijke vreugde bij gezette lezing van het boek is omgeslagen in teleurstelling, vergist zich erg. Alleen maar over dat waarop men erg gesteld is, maakt men zich gewoonlijk druk. De slordigheden en tekorten die ik in dit boek heb moeten signaleren, hebben nauwelijks mijn vreugde over de verschijning ervan kunnen temperen. Ik blijf ondanks alles deze eerste Nederlandse bijdrage aan de diskussie rond Tersteegen als een waardevolle studie zien: een boek dat ik in veler handen wens!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 25 augustus 1961
Daniel | 8 Pagina's