Bakens verzetten ?
(6).
Beroepsbevolking en mechanisatie
De landbouwende beroepsbevolking is tussen 1909 en 1947 verminderd met 8, 2%; de industriële beroepsbevolking nam toe met 2, 3%, en de beroepsbevolking in de dienstensektor (handel, verkeer, bankwezen, overheidsdienst) steeg van 36, 4 tot 43%.
Dus niet zozeer de industrie, clan wel de dienstensektor schakelt steeds meer mankracht in!
De landbouw heeft steeds minder mankracht nodig door een ver doorgevoerde mechanisatie. Dit houdt in dat steeds meer landbouwerskinderen hetzij in de industrie hetzij in de dienstensektor moeten gaan werken.
In vele streken gelijkt de boerderij op een „open lucht fabriek" met een groot machinepark. De landbouwer gaat zodoende meer op een ondernemer gelijken, en de kleine boer en landarbeider op industriearbeiders. De verhoudingen verzakelijken, worden minder persoonlijk dan vroeger. Ieder is gesteld op zijn eigen vrijheid en de landarbeider woont dan ook liefst niet te dicht bij het bedrijf. Veel burendiensten (begrafenis, hulp bij ziekte etc.) worden overgenomen door daarvoor bestemde verenigingen (Groene Kruis etc.) In deze opzichten gaat het platteland op de stad gelijken.
Het is een gave Gods, clat veel (domme) handarbeid nu door de machine verricht kan worden. Ook dat het K.N.M.I. het weer kan „voorspellen", zódat men tijdig bepaalde maatregelen kan nemen. En ook dat men de gewassen, door bespuitingen met antibiotica, kan beschermen tegen infecties.
Ik kan me echter niet aan de indruk onttrekken, dat zeer velen — ook in „onze" Gemeenten — meer op deze gaven clan op de Gever vertrouwen. De machines, het K.N.M.I. en de antibiotica moeten èn mogen (nog) gebruikt worden.
Maar dan alleen in dienst van God en de naaste. Wee ons, wanneer wij onze afhankelijkheid van de Gever inruilen voor het vertrouwen op de gaven! Het is zeer bedenkelijk, dat velen de majestueuze God (nog) wel herkennen in de onweersbui en niet in de dauw, de regenbui en het bespoten aardappelveld.
De mechanisatie in de landbouw is absoluut noodzakelijk, wil de groeiende bevolking kunnen blijven eten en drinken. Het heeft dan ook niet de minste zin om hierover te klagen. Veeleer zijn we ootmoedige dank verschuldigd aan Hem, Die de machines doet uitvinden en gebruiken.
De overgang van vele landbouwerskinderen naar de industrie, de middelbare school enz. hoop ik in een ander artikel te behandelen.
De invloed van de 2e Wereldoorlog
De 2e W.O. heeft platteland en stad in versterkte mate uit hun onderlinge isolement bevrijd. We denken aan de hongertochten, evacuaties etc. Dit alles heeft de plattelander niet onberoerd gelaten. Hij richt zich in zijn levensstijl en opvattingen na de 2e W.O., veel meer dan daarvóór, naar die van de stedeling. Dit alles is ook mogelijk gemaakt door radio, televisie, krant, trein en bus. In 1941 werd over een Geref. (stads) Gemeente geschreven: „Hier is alles in de uiterlijke dingen heel gewoon. Men moet een goed opmerker zijn om bij dit kerkpubliek in kleeding, houding en gestalte een verschil te ontdekken met de doorsnee kerkgangers, die een andere kerk bezoeken. Er zijn hier wat meer zwart en donkere kleuren gemengd door de kleeding van de kerkgangers. Hij ziet hier talrijke jeugdige vrouwelijke doopleden in modieuze en fleurige toiletjes en met kopjes, die regelmatig onder kappershanden komen. Met de jongens in hun lichte zomerkleeren is het navenant gesteld. En dan die lichte kousebeenen overal in de paden" *). Vóór de 2e W.O. gold dit bepaald niet van de meeste plattelands-gemeenten, maar na de oorlog hebben zich radicale veranderingen voorgedaan. De schoenen vervingen de klompen, de pet werd ingeruild voor de hoed, de klederdracht (als groepsmode) wordt vervangen door de landelijke mode. De verschillen tussen stad en platteland worden ook in dit opzicht minder.
Alle verandering is nog geen verbetering, maar evenmin verslechtering. Het platteland is uit zijn isolement gehaald en dit betekent, dat veel van het „eigene" verdwijnt óf ten behoeve van het toerisme bewaard blijft; of eventueel verkocht wordt (souvenirs). Op landelijke vergaderingen herkent men cle plattelander vaak alléén nog door zijn taal (dialect).
In vele plattelands-gemeenten is er momenteel een pogen om de verschillen met de stad zoveel mogelijk te doen verdwijnen. Dit kan ontaarden in een krampachtig streven naar het bezit van een auto, ijskast, radio, televisie enz. Alsof iemand eerst door het bezit van deze cultuurgoederen een volwaardig mens zou zijn!!
Onrustbarende vervlakking
Vele mensen kunnen de snelle veranderingen niet volgen, raken de tel kwijt en gaan zich hogelijk onzeker en ontredderd gevoelen. Ze trekken zich dan terug in een (hooghartig) isolement óf passen zichzelf zonder voorbehoud aan alles aan, om voor „vol" te worden aangezien.
Het Woord wijst de weg, ook daar waar menselijke zekerheden inéénstorten. Helaas leven vele Gemeenteleden echter dichter bij de traditie, een dogmatisch gedachtenstelsel enz. dan bij het levende Woord des HEEREN.
In een tijd, waarin alles op zijn grondvesten schudde, heeft Luther gezegd: „Sola Scriptura" (alléén de Schrift). De Reformatie ging lijnrecht tegen alle (ontaarde) kerkelijke traditie en spitsvondige theologie in.
De Schrift is „het gewaad, waarin Christus tot ons komt" (Calvijn). Wie zónder clit gewaad tot bekering hoopt te komen, zal nimmer de mantel der gerechtigheid ontvangen. Bekering is ook: terugkeren tot dit gewaad, door de Geest, Die dit geweven heeft. Christus zal dit gewaad nooit afleggen, ook al zouden wij dat willen.
Zijn wij in 1961 misschien ontaarde kinderen der Reformatie, ondanks alle
mooie leuzen? Wij hebben ons te bekeren tot een zéér nauwe omgang met de Schrift, want „het Woord Gods is levend, en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard". Is het niet schrikwekkend, dat het aantal Gemeenteleden, dat de dood des Heeren verkondigt, steeds geringer wordt? Dat in de meeste Gemeenten méér dan 80% van de leden zegt: „Ik ken Hem niet"? Op het zendingsveld is het misschien nog niet zó erg! 2)
Is het niet vreselijk, dat zulke gedoopte Christus-verloochenaars het „Ik ken Hem niet" volhouden tot in hun dagelijks werk, ontspanning en vakantie toe? Is het niet onrustbarend, dat zij — ondanks alle rechtzinnigheid — op deze wijze een struikelblok zijn voor de naaste, die nog nooit van de Heere Jezus gehoord heeft?
Het is te verwachten, dat de verstedelijking vele zieke plekken van de stads-Gemeente óók in de plattelands-Gemeenten zal doen zichtbaar worden.
Hier helpt geen klagen over de verstedelijking. Tot ons komt in deze situatie de ernstige Boodschap: „Bekeer u en doe de eerste werken; en zo niet.... Ik zal welhaast bij u komen en zal uw kandelaar van zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert." Wie het zwaard des Geestes, het Woord veracht, zal er door gedood worden!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 augustus 1961
Daniel | 8 Pagina's