Slechts een handvol koren
De Karens, waaronder BuIIard zou gaan arbeiden, verschilden veel van de Burmanen, in spraak, gewoonten en godsdienst. De Karens waren veel ruwer en veel minder beschaafd dan de Burmanen. Afgetrokken woonden ze in de bossen en op de hellingen van de hoge bergen. De Burmanen bemoeiden zich heel weinig met dat bergvolg en zodoende was er bijkans geen kontakt. Toch kreeg zendeling Bullard, die met Ellen was getrouwd, grote steun van een vrouw uit de Karenstam. Over de geschiedenis van die vrouw eerst een paar bizonderheden.
Buim twintig jaar geleden stond Guapung (zo heette die vrouw) aan de oever van de Saluen, een tamelijk grote rivier in Burma. Een vreemd schip vaart stroomopwaarts en nadert de oever op de plaats waar Guapung staat. Een lange witte man stapt uit het vaartuig, geeft de vrouw een hand en spreekt haar in de burmaanse taal aan.
„Hoe gaat het met u? "
„Heel goed, " is Guapungs antwoord.
De vreemde man vraagt verschillende dingen en Guapung geeft antwoord. Met ontzag ziet ze tegen de witte man op. Even later neemt de vreemdeling afscheid. „Ga in vrede, " zegt hij tegen de vrouw. Het schip vaart verder en lange tijd kijkt Guapung het vaartuig na. Zij is helemaal onder de indruk van de ontmoeting en het gesprek. Als ze bij haar huisgenoten komt, kan ze niet zwijgen.
„Ik heb een blanke man gezien, met een aangezicht als van een engel. Die man groette mij hartelijk en sprak vriendelijke woorden tot mij. Het kan niet anders of de godsdienst van die man moet hem zo vriendelijk gemaakt hebben. Zijn God moet zeker de ware God zijn; dat kan niet anders. Ik zal de God van die man ook gaan aanbidden en nooit meer een andere."
Het wordt nacht. Guapung kan de slaap niet vatten. Nog steeds denkt ze na over het gebeurde van die dag, maar inzonderheid over de God van die witte man. Wie die God is weet ze niet, maar ze zal tot die God gaan roepen.
„Machtige Rechter!" roept ze uit. „Heere God, Rechtvaardige in de hemel, op de aarde, in de bergen, op de zeeën, ontferm U over mij! Ik bid U, toon mij Uw heerlijkheid, opdat ik U kenne wie Gij zijt!"
Dat roepen tot God werd haar gewoonte elke dag opnieuw. Ernstig en aanhoudend vroeg ze om licht in de donkerheid van haar bestaan. „Leer mij U kennen wie Gij zijt, " was haar dagelijkse verzuchting.
Er kwam echter geen antwoord. Maar als de Kananese vrouw hield ze aan, dag aan dag, week aan week, maanden en jaren!
Eindelijk kwam er antwoord: een helpster van een zendingspost bezocht het dorp waar Guapung woonde en ontmoette de vrouw. De dame van de zendingspost verkondigde de „onbekende God", die Guapung nu al zo lang had aangeroepen. We behoeven niet te vragen of de woorden over God en Zijn dienst ingang vonden bij Guapung. Het mens was een al oor en haar hart werd geopend als weleer bij Lydia.
Hoe wonderlijk werkt de Heere! De witte man was Judson geweest, die het zaad in alle eenvoudigheid had gestrooid aan de oever van de Saluen, en welk een rijke vrucht wierp het af! Als God werkt, wie zal het dan keren? De goede Herder kent zijn schapen bij name en zoekt ze op in de wildernis. Guapung werd een voorbeeldige christin en moest over het werk des Heeren wel spreken tot allen die naar haar luisteren wilden.
Deze Guapung nu werd de trouwe helpster van zendeling Bullard. Wat had die een steun aan haar! Ze kende de hele omgeving en haar volk als geen ander. Met de heer en mevrouw Bullard maakte ze lange reizen te land en te water. Zodoende leerden de zendeling en zijn vrouw de mensen kennen en hun levenswijze. Wat was mevrouw Bullard vaak bedroefd, wanneer ze zag, dat de moeders haar kinderen zo'n slechte opvoeding gaven! De ene keer werden de kinderen bedorven en de andere keer werden ze op een vreselijke wijze gestraft. Wat moest hier toch veel worden veranderd! Maar met veel geduld en ernst werden de mensen onderwezen in de ware godsdienst. De Wet des Heeren eist liefde tot God en liefde tot de naasten. Hoe vaak moest dit worden herhaald en door het goede voorbeeld kracht worden bijgezet!
Maar er kwam verbetering. Langzaamaan kwamen er gezonder toestanden in de samenleving. De moeders vertelden met trots: „Mijn zoontje brengt nu brandhout aan, als ik het vraag." Te voren moest je daar niet mee komen. Een andere moeder vertelde met blijdschap: „Mijn dochtertje loopt nu niet meer weg."
Een derde wees op haar jongen en zei: „Ziet u die jongen? Hij was de eerste van het hele gezin, en hoe ik hem ook sloeg, hij werd niet beter. Maar nu moest hij de hele week geen straf hebben en hij is zo zoet als suikerriet." Het zaad, dat gestrooid werd, begon zachtjesaan wortel te schieten, tot grote vreugde van Bullard en zijn vrouw, maar ook tot blijdschap in de gezinnen. De moeders werden geduldiger en vriendelijker en brachten een andere sfeer in de woningen, zodat de mannen zich van lieverlee aangetrokken gevoelden tot de godsdienst die door Bullard werd gebracht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 28 juli 1961
Daniel | 8 Pagina's