Nog eens vogels
Aan een tuinfluüer *) (Bastiaanse)
In de meimaand en de volgende zomermaanden kan 's avonds de lucht vervuld zijn van de welluidende klanken van merels, lijsters en andere zangvogels. Ze zingen de avondzang voor de dag, die zo lang duurde en nu heel langzaam in het westen wegsterft. Dan zijn er wel mensen, die even luisteren naar de heldere tonen, die onophoudelijk klinken tot ver in de omtrek. Het is als 's morgens bij het kraaien van de hanen: één begint er en hij wacht op het antwoord van een verre haan en dan gaat het om beurt tot de dag is aangebroken en door andere geluiden het kraaien verstomt. Zo gaan om beurten in een stille avond de late vogels zingen, luisterend naar elkander, onvermoeid, tot straks de schemer gaat veranderen in nachtelijk duister. Dan zoeken de zangers een slaapplaats op voor de korte nacht, om de volgende morgen weer present te zijn, ook al zou de zon niet schijnen.
Eén vogel is er onder de zangers, die zich niet stoort aan avond of morgen; die er niet om geeft wat een ander doet, en die zijn tonen uitstrooit bij zonneschijn en bij het vallen van een verkwikkende meiregen. Het is de tuinfluiter, waaraan Frans Bastiaanse een gedicht „opdraagt", in een bundel „Een zomerdroom".
Eerst zegt de dichter, dat het beest eens eventjes moet zwijgen, want het zingen overstemt al de klanken van de andere vogels:
Tuinfluiterf! jij, met je rusteloos fluiten, Laat eens een oogwenk die tonenstroom stuiten, Want j' overstemt met je drukke gefluit Alles wat zingt en je tempo verbijstert Vinken en mezen, totdat zelfs de lijster " t Zingen niet volhoudt bij zóveel geluid.
Maar dan, neen, dan vindt hij, dat het beest zijn gang maar moet gaan, wanneer het zit hoog in de bomen. Dan is het aslof er een leeuwerik is neergestreken, die niet anders doet dan zingen, zingen!:
Neen, fluit maar door in de top van de bomen, Of er een leeuwerik tot rust is gekomen, Die in zijn rust onophoudelijk zingt — Zó, als het anders alleen in de lucht is Als er die zingende stip in de vlucht is Met een muziek of het hemelblauw klinkt!
's Morgens vroeg, in de mei, als vele stedelingen nog slapen en het mooiste van de dag aan zich laten voorbijgaan, is de dichter al wakker:
Wanneer de meimorgen vroeg wordt geboren En ik geen andere vogel kan horen, Omdat het plast uit een hemel van grauw, Hoor ik op 't afdak de regenval kletteren En op de ruisende bladeren spetteren, Lig ik te luisteren. ... ik luister naar jou!
En dan gaat de dichter naar buiten, om te kijken wie die zanger toch is. Morgenwolken schuiven langs de blauwe lucht en dan boven in een boom zit de kleine zanger en zingt dat het een lust is:
Als 'k in den ochtend door 't wonderblauw-klare Langzaam-verspreidende wolken zie varen Boven de bomen in statigen gang, Als ik dan zoek wat geluid het mag wezen, Dat door zo hoog en zo helder gerezen Komt uit de toppen dan is het jouw zang!
Hierop gaat de dichter een vergelijking trekken: dat diertje is net als hij; wanneer de dichter een lied heeft gemaakt, dan denkt hij, dat er nooit meer iets komt. Maar telkens opnieuw is er stof tot zingen, en het gaat weer, ongemerkt en overtuigender als te voren. Zo is het ook met de tuinfluiter:
Jij lijkt op mij: als ik denk, dat het uit is, Dat er nóóit weer in mijn hart een geluid is, Zingt het en klink het en trilt het weer door, Sterker en sterker en langer en langer, Een onuitputtelijk zingende zanger Wilder en voller dan immer te voor!
Bastiaanse heeft gezegd, dat de vogel op hem gelijkt, maar van gelijkheid is geen sprake. De dichter moet het afleggen tegen de zanger. Een dichter is slechts een ogenblik geïnspireerd; iets wat vluchtig voorbijgaat, kan hij soms in taal verklanken; er is een voorval, dat hem aangrijpt en dat hij moet uitzeggen of hij het wil of niet wil. En als er een gedicht is ontstaan, dan bevredigt het niet steeds: wat gevoeld werd, de ontroering, was sterker en dieper dan de woorden nu te kennen geven. De dichter gevoelt zijn onmacht: het is steeds maar benaderen wat hij doet. Bij de tuinfluiter is alles zo anders: dat beest zingt van de morgen tot de avond en kan zich uiten, telkens weer. En daarom zegt Bastiaanse, dat het beest zijn gang maar moet gaan. Laat het dier maar gelukkig zijn. In het laatste couplet wijst hij daar op:
Zing dan maar door onophoudelijk en vurig! Jij, die het vluchtige geeft zo langdurig, Wat er een ander zo kort heeft en zwak: Zing als de dag uit de kimme komt stijgen, Zing tot de zon in het westen gaat neigen Hoog en gelukkig, alleen op je tak!
INDEX.
*) Sylvia simplex, een zomervogel, een soort grasmus, die van april tot september in ons land voorkomt; broedt in tuinen, bossen en langs de wegen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 14 juli 1961
Daniel | 8 Pagina's