De Heidelbergse Catechismus
30.
De 18e eeuw.
Willen we cle Catechismuspreken uit de achttiende eeuw begrijpen, dan dienen we eerst iets te zeggen over de staatkundige toestand van ons land in die tijd.
Eenstemmig is het oordeel van alle geschiedschrijvers over deze eeuw, die eeuw
van rijkdom en van rust, waarin het aards genot een hemel was, de geldkist slechts de God die men aanbad.
Nooit was de toestand der Republiek zo onbeduidend en roemloos als toen: oorlog ontwijken en geld sparen was het enige doel. Alles was neergedrukt door het loden juk van een aantal regenten, die enkel door handelsbelang en door zucht naar overheersing der burgerij werden gedreven. Het was een veelhoofdig en hoofdeloos bewind, die regering van kramers en kooplui, wier voornaamste bekwaamheid bestond in halsstarrige nietsbeduidendheden. Eigen belang was de voornaamste drijfveer van alle ondernemingen; rijk worden en geen dings gebrek te hebben, geld verdienen en van het verworvene in rust en vrede genieten, dat was het levensdoel. En dat doel werd bereikt. Nimmer was ons land rijker dan toen; maar ook nimmer was de zedenverbastering zo hoog geklommen. De oud-hollandse trouw en eenvoudigheid, eerlijkheid en rechtschapenheid waren slechts klanken geworden en men vond ze alleen nog bij de stille en vergeten burger. De omkoopbaarheid tierde welig; voor goud was alles te krijgen. De winstgevende waardigheden, b.v. bestuursbaantjes van land, gewest en stad, werden door enkele patricische families bekleed. Voordat hun kinderen geboren waren, werden ze reeds tot aanzienlijke ambten geroepen; knapen, nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, vervulden reeds posten, die kennis en ervaring vorderden. Gretig zwolgen de hogere standen uit de gifbeker, die het dartele en lichtzinnige Parijs hun toereikte. Al wat nationaal, degelijk, echt was, week voor het vreemde, zwakke, valse en nietige Franse klatergoud. Lichtzinnigheid, dartelheid, losbandigheid sloop de woningen binnen. Miljoenen werden verspild aan hetgeen het overprikkelde Parijs uitdacht en geen kleed zo wanstaltig, geen gebruik zo belachelijk en geen boek zo zedeloos, of het werd aangetrokken, ingevoerd, verslonden.
Ook wat cle kunst betreft, verhief zich niets boven het middelmatige. Geen verheffing, geen verrukking, maar bedaardheid, kalmte en rust was het algemene wachtwoord: in rust het geld verspillen, in rust op oude roem teren. Zie hem daar zitten, de Hollander der 18e eeuw: met het onbeweeglijke hoofd, met slaapmuts, vilten muilen aan de voeten, de lange pijp in de mond. Zie hem daar lopen, in zijn stijve met goud overladen kleren in zijn schaduwloze, wiskundig afgeperkte, door uitgeknipte heggen omringde tuin.
Al wat rust vorderde, stond in volle bloei: wis-en natuurkunde, geschiedenis en oudheidkunde enz. beleefden een glansrijk tijdstip.
Rust heerste ook in de kerk. De godgeleerdheid werd rustig beoefend, d.w.z. het eenmaal vastgestelde systeem werd op de studeerkamer in andere vormen gegoten, in commentaren, preken, verhandelingen en bespiegelingen rustig verwerkt, terwijl ook, wat vroeger dikwijls werd verwaarloosd, men meer acht op taal en stijl begon te geven.
De kerk was wel in twee partijen verdeeld: de Voetianen en de Coccejanen, doch niet gescheurd en mogen deze partijen het ook onderling niet eens zijn en zich in hele en halve, oude en nieuwe, dode en levende, zuiver Marckiaanse, Brakelse en Eswijleriaanse Voetianen, groene en dorre, Leidse of vrije, heldere en kordate, Utrechtse of stijve, ernstige, of half Coccejaanse en Voetiaanse Coccejanen scheiden, hun twisten waren kibbelarijen over bijzaken, in de hoofdzaken waren zij het eens en was er een gemeenschappelijke vijand te bestrijden, dan verenigden zij zich als één man. Dan eens werden de preek-en leerstoelen door de Voetianen, dan door de Coccejanen bezet. Stond er een raadpensionaris aan het hoofd van het bewind, dan triomfeerden de Coccejanen; had een Nassau het roer van staat in handen, de Voetianen. In sommige gemeenten werden alleen Coccejanen, in andere slechts Voetianen geduld. De meeste gemeenten hadden leeraars van beide richtingen, die veelal broederlijk met elkaar omgingen en naast hun verschillende opvattingen over de leer onderscheiden waren in kleding, leven en spreekwijze. Zo eenvoudig de Voetianen leefden, zo weelderig de Coccejanen. Deze zaten vooraan aan maaltijden en namen deel aan de genoegens dezer wereld, de Voetianen leefden ingetogen en stil en achtten de wereldse genoegens als drek. Zo stipt dezen de Sabbath vierden, zo afkerig waren de Coccejanen er van om hem te heiligen.
Het is goed, dat men deze dingen weet bij het lezen van onze dierbare oude
schrijvers. Men zal ze dan dikwijls in hun uitdrukkingen beter kunnen begrijpen en speciaal in hun Catechismusprediking. Zo denk ik aan de geschriften van de Voetiaanse predikers Van der Kemp, Smijtegelt enz.
Aangezien de oude schrijvers gelukkig onder ons volk nog gelezen worden, willen we in het vervolg hier graag nog wat dieper op ingaan en D.V. in een volgend artikel nog wat meer schrijven over de Voetianen om daarna de Coccejanen te bespreken in verband met beider Catechismusprediking.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 juni 1961
Daniel | 8 Pagina's