Bakens verzetten ?
2
Ieder, die dagelijks een krant leest en in het volle leven verkeert, weet wel wat er zo ongeveer te koop is in de samenleving en heeft doorgaans een oordeel over cle veranderingen daarin.
Maar.... nu blijkt uit onderzoekingen van een wetenschap, die de samenleving bestudeert (cle sociologie), dat ons persoonlijke oordeel vaak in hoge mate onjuist is, omdat wij geneigd zijn persoonlijke ervaringen — ten onrechte — te generaliseren. Bijvoorbeeld: wanneer U en ik een gereformeerde buurman hebben die op een goede dag in een fabriek gaat werken en die enige tijd daarna plotseling met de kerk breekt, dan zijn U en ik geneigd om te zeggen clat het werken in een fabriek cle oorzaak is van onkerkelijkheid; vooral als er meer van deze gevallen zijn. We weten in dit verband echter weinig af van cle motieven en alle andere levensomstandigheden van onze buurman.
Wanneer U zich niet gezond gevoelt óf indien U bijvoorbeeld wilt weten of U de lichamelijke geschiktheid bezit voor een bepaald beroep, dan schakelt U de (medische) wetenschap in door naar uw huisarts te gaan.
Waarom zouden we dan ook niet een andere wetenschap, n.1. cle sociologie, inschakelen, wanneer we in dit en volgende artikelen met elkaar gaan nadenken over de betekenis en invloed van verschillende ingrijpende maatschappelijke veranderingen voor en op ons persoonlijke leven — als Gemeentelid — in cle wereld?
Het is clan ook een verheugend feit, clat de Generale SvTiode in 1959 besloot om, in samenwerking met de Gereformeerde Kerken en cle Christelijke Gereformeerde Kerken, het Gereformeerd Sociologisch Instituut (G.S.I.) te Amsterdam een onderzoek te doen instellen naar de te verwachten veranderingen door cle uitvoering van het Deltaplan.
Een verheugend feit, omdat er in alle kerkformaties vele mensen zijn, die „Gods water over Gods akker" willen laten lopen en die — ten onrechte — menen zelf wel in staat te zijn om te kunnen beoordelen wat er in de zeer nabije toekomst op maatschappelijk en dus ook
op kerkelijk terrein zo al zal gaan veranderen. Deze mensen vergeten dan, dat de samenwerking dermate ingewikkeld geworden is, dat men als liet ware op een uitkijkpost moet gaan staan om het landschap „samenleving" nog enigszins te kunnen overzien. Een dergelijke uitkijkpost is de sociologie. Tussen haakjes het is helaas een feit, dat in onze kringen de belangstelling voor de techniek en het lichamelijke — gezien het aantal studenten op technisch, medisch en dierheelkundig terrein — groter is dan voor de menswetenschappen (psychologie, rechten, sociologie etc.)
Ouders en middelbare scholieren: wilt U dit laatste terrein clan helemaal overlaten aan rooms-katholieken en vrijzinnig-protestanten?
De dokter en de dierenarts hebben meer financiële mogelijkheden en daardoor vaak ook meer aanzien dan de psycholoog of socioloog. Mag dit echter, zo vraag ik U, de enige reden zijn om deze laatste beroepen niet te kiezen? Nóg hebt U cle tijd en de kansen om deze gevaarlijke achterstand in te lopen!
Bij de bestudering van het „Kerkelijk Jaarboekje" 1960 en na enige verrichte berekeningen, is me gebleken dat van de 140 Gemeenten in 1959 circa zeventig procent plattelandsgemeente en dertig procent stadsgemeente was. Dit belangrijke gegeven is voor mij aanleiding allereerst aandacht te schenken aan de verhouding trassen stad en platteland.
De tijd is nog niet helemaal voorbij, waarin cle stedeling met een zekere minachting neerkeek op de plattelander, als iemand clie van cle cultuur geen kaas gegeten heeft en slechts met beesten en grond weet om te gana, óf waarin de plattelander met een grote zelfbewustheid de stedeling probeerde duidelijk te maken, dat deze met al z'n cultuur, kantoren en vermaak de hongerdood zou moeten sterven, wanneer hij (de landbouwer) zou gaan staken.
In 1961 is het contact tussen platteland en stad — via krant, radio, televisie, bus en trein — van dien aard, dat vele van deze dwaze denkbeelden zijn verdwenen. Stad en platteland vormen een economische eenheid. Het platteland wordt niet alleen door landbouwers maar ook door industriearbeiders en middenstanders bewoond, terwijl de stadsbevolking niet uitsluitend gevormd wordt door kantoordames-en heren en de buitenwijken vaak een dorpskarakter vertonen. De stad begint dus meer platteland en het platteland begint meer stad te worden. De mentaliteit van de plattelander ondergaat ook veranderingen, die U in de loop van dit artikel o.a. duidelijk zullen worden.
Wat betreft het amusementsleven in de stad: dit dringt ook op het platteland door.
En in menig café (en bioscoop? ) kunt ge — naar „insiders" me verzekerden — in zeer orthodoxe streken door de week ook clie mensen aantreffen, welke 's zondags met een stemmig gezicht ter kerke gaan.
Naar het mij voorkomt, bevinden zij zich daar niet om van de Heere Jezus te getuigen, maar wel om te laten zien dat men zichzelf, als onbekeerde, kan losmaken van de roeping Gods tot èlk Gemeentelid om een leesbare brief van Christus te zijn (2 Cor. 3).
Het behoeft m.i. geen nader betoog, dat U — als ouder — er niet mee klaar bent, wanneer uw zoon of dochter ook naar cle bioscoop etc. wil, met hem of haar een oude schrijver in handen te geven. Waarom pas op dat moment?
Probeer met uw kinderen de vrije tijd gezamenlijk te besteden, maak van uw huis voor hen een „thuis" en laat hen niet aan hun lot over, door zelf bij anderen op visite te gaan of allerlei vergaderingen bij te wonen.
Wijs uw kinderen bij de voortduur op het heerlijke voorrecht, clat zij — in onderscheid met zoveel anderen — bij hun Doop door God in beslag genomen zijn voor Zijn Dienst en dat de vervulling van deze Dienst-„plicht" niet alleen een vernieuwd hart maar ook onthouding van bepaalde dingen vraagt, omdat andere dingen (Gods Koninkrijk) onze aandacht geheel opeisen.
Probeer met uw kinderen hierover dagelijks te spreken (b.v. na de Bijbellezing aan tafel) en voorkom het feit, dat ze zonder uw medeweten hun eigen gang gaan, doordat U naliet met hen — over hun moeilijkheden t.a.v. de film etc. — eerlijk en open te praten.
En wanneer jij thuis alles zo bekrompen vindt, terwijl je vrienden of vriendinnen veel meer mogen doen en nalaten, probeer dan toch begrip op te brengen èn te tonen voor de opvattingen van je ouders en hen te gehoorzamen.
Probeer jezelf te verplaatsen in hun positie en stel je eens even voor dat jij in hun schoenen zou staan en dat jouw kinderen zouden doen als jij.
Poog mét en niet zonder je ouders je houding te bepalen en doe niet mee aan óf laat niet na bepaalde dingen, alleen omdat je vriend of vriendin die ook doet of nalaat. Neem je zakbijbel (die heb je toch? ) en bid God oprecht om Zijn leiding op paden, die onbegaanbaar schijnen.
Denk in je gebed ook aan je ouders, dominee, leraar, onderwijzer en aan hen, die je liever niet ontmoet. Ga echter niet allereerst te rade bij jezelf of bij je vrienden of vriendinnen.
Onze samenleving is a.li.w. ojogesplitst in een groot aantal eenheden, b.v. het bedrijf, kantoor, ziekenhuis, school etc., die zich elk op hun beurt en vaak onafhankelijk van elkaar, zeer snel ontwikkelen.
Het is begrijpelijk, dat degene die b.v. in een ziekenhuis werkt, nauwelijks of niet beseft wat er in een modem bedrijf omgaat en welke moeilijkheden de aldaar werkenden hebben ook op het terrein van Godsdienst. En het is daarom evenzeer begrijpelijk dat men in situaties komt te staan, waarin de traditie — van huis uit meegekregen — niet te hanteren is. Een andere gedragsvorm zal dan opgebouwd moeten worden, uiteraard in levend contact met de Heilige Schrift en de belijdenis der Kerk.
Vele ouderen, die constateren dat de jongeren afwijken van de, door hen van het voorgeslacht ontvangen en tijdens de opvoeding met veel moeite overgedragen, traditie worden — begrijpelijk! — verbitterd en ontgoocheld.
De socioloog duidt deze verschijnselen aan met het woord „generatieconflict", wanneer ze tot onoplosbare spanningen en blijvende verwijdering tussen de generaties of geslachten leiden.
Hij constateert ook, dat de „traditie", in welke vorm dan ook, het in onze samenleving niet zozeer meer doet, daar de samenleving tè snel verandert om een rustige traditieoverdracht, van ouderen op jongeren via opvoeding en onderwijs, te kunnen veilig stellen. Dit alles in tegenstelling tot vroegere tijden, waarin de samenleving zeer langzaam veranderde en waarvan het platteland, als zodanig, tot voor kort nog een „restant" vormde.
Het gezegde „nieuwe tijden, nieuwe zeden" is meer dan ooit waar en geeft zowel bij jongeren als ouderen vaak veel onzekerheid aangaande hun gedragsbepaling te kennen.
De knallende bromfiets van de „nozem", de teenagermode en de mevrouw van zestig, die zich zo probeert te kleden enz. dat ze gelijkt op een meisje van
twintig jaar, zijn allen levende bewijzen van deze onzekerheid.
In een volgend artikel hoop ik met U, zo God wil dat wij leven, verder in te gaan op de verhouding stad-platteland en andere daarmee samenhangende vraagstukken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juni 1961
Daniel | 8 Pagina's