Het volk der joden na de hemelvaart van Christus
Wdt vertellen ons de oude geschiedschrijvers ooer het volk der Joden na de hemelvaart van de opgestane Christus. In enkele afleveringen willen wij er iets van vertellen.
De Romeinen hadden aan de Joden, zoals aan alle onderworpen volken, hun gebruiken, hun wetten en de vrije uitoefening van hun godsdienst gelaten. Zij bemoeiden zich niet met hun binnenlands bestuur, als er maar geen onlusten voorkwamen en de schattingen op tijd werden betaald. Maar de Joden waren hier niet mee tevreden. De gevoelens door de wet van Mozes hun ingeprent, maakte iedere inmenging van een vreemde natie onmogelijk. Immers, eeuwenlang was het volk van Israël door God Zelf, haar priester, oudsten en koningen geregeerd. Daarom konden de Joden onder het juk van de Romeinen slechts slaven en geen onderdanen zijn. Het is dan ook te begrijpen, dat het volk der Joden telkens pogingen zou doen om de overheerser van zich af te schudden. Hoe hebben ze geroepen Hosannah, gezegend is Hij, die komt in de Naam des Heeren. De Joden verwachtten een aards koninkrijk. Maar ach, wat is het tegengevallen. Niets hebben ze begrepen van het werk van de Heere Jezus. De Christus moest lijden en sterven, maar ook opstaan. Zijn Koninkrijk is niet van de wereld. Hij, de verhoogde Middelaar heeft het immers Zelf gezegd. „Kruist hem, kruist hem." U kent de geschiedenis. Omdat ze de Messias verworpen hebben zijn ze tot in alle hoeken verstrooid geworden. Wij lopen echter op de historie vooruit.
Het volk van de Joden was te zwak om met goede resultaten tegen de Romeinse keizer te strijden. De verdeeldheid onder het volk was groot. Deze verdeeldheid kwam doordat zich drie secten hadden gevormd. De Farizeeërs, de Esseërs en de Sadduceërs. De eerst genoemden volgden stipt de aloude gebruiken en tradities. U kunt het uitvoerig lezen in Gods Woord. De Esseërs waren zeer streng in hun opvattingen. Zij besteedden hun gehele leven om gerechtigheid te leren en uit te oefenen. Zij kwamen zelf niet naar de Tempel om te offeren, maar stuurden hun offers naar het Heiligdom. Deze Esseërs leefden in gemeenschap van goederen. Zij hadden ook geen personeel in dienst, want zij geloofden dat de onderwerping van mensen aan mensen een grote belediging was. Iedereen was gelijk. Door hen gekozen priesters namen alles wat men verdiend had in ontvangst en zorgden er voor dat iedereen zijn portie kreeg. Deze secte was heel klein en kon als een godsdienstige broederschap worden beschouwd. Zij hadden geen enkele invloed in het land.
Een zeker man die Juda heette, richtte een vierde secte op. Een deel van het volk sleepte hij mee met zijn dwalingen. Deze Juda vertelde dat men alleen God als heer en koning moest erkennen. Liever moest men zich laten martelen dan aan een mens de naam heer of meester te geven. Deze secte werd later, menselijkerwijs gesproken, een van de voornaamste oorzaken van de val van het Jodendom. Al deze gebeurtenissen hadden volgens de ongewijde geschiedschrijver plaats voor de dood van de Heere Jezus. Onder het bestuur van keizer Tiberius werd Christus door Pilatus aan de Joden overgeleverd.
Terwijl de Apostelen te Jeruzalem het Evangelie van Christus predikten en de Gemeente uitbreidde, kwamen er in het land allerlei moeilijkheden.
Pontius Pilatus maakte plannen om in Jeruzalem waterleidingen aan te leggen. Op zichzelf was dit een mooi streven, maar hij wilde het benodigde geld uit de Tempel nemen. De Joden waren woedend en grepen naar de wapens. Pilatus beteugelde echter dei opstand en als afschrikwekkend voorbeeld liet hij een groot aantal oproerlingen om het leven brengen.
Ook de Samaritanen gaven Pontius Pilatus handen vol werk. De Samaritanen wilden zich met geweld meester maken van cle berg Gerazim. Zij geloofden dat er in het binnenste van deze berg een schat lag, die daar eeuwen geleden door Mozes was verborgen. Met grote strengheid trad Pilatus op tegen de dwaze Samaritanen.
Deze namen dit echter niet en klaagden hem aan bij Vitellus, de landvoogd van Syrië. Vitellus beval Pontius Pilatus om naar Rome te gaan om verantwoording van zijn daden aan de keizer te doen. De landvoogd van Syrië kwam zelf op het Paasfeest te Jeruzalem, waar hij met grote eerbewijzen werd ontvangen. Onmiddellijk onthief hij cle Joden van een belasting op de vruchten. Ook gaf hij de priesters de Ephod en de hogepriesterlijke sieraden terug, die Herodes de Groote in de vesting Antonia had gebracht. Vitellus zette Kajafas af en schonk het hogepriesterlijke ambt aan Jonathan, de zoon van Annas.
(Wordt vervolgd)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 juni 1961
Daniel | 8 Pagina's