Bakens verzetten ?
Ieder van ons heeft de neiging om cle tijd, waarin we leven, te overschatten. Hetzij door deze, in vergelijking met het verleden, bij uitstek slecht hetzij door deze zeer goed te noemen. En dit is geen wonder, omdat we het heden nu eenmaal beter kennen en meer bewust beleven clan het verleden, clat door verhalen van familieleden en geschiedenisboeken gedeeltelijk en vaak verkleurd tot ons komt.
In de vorige eeuw was het levensbesef in het algemeen zeer optimistisch gekleurd. De ene uitvinding in de techniek was er nauwelijks, of een andere diende zich weer aan. Het leek wel op een sinterklaasavond. De wetenschap ging met sprongen vooruit. Het menselijk kunnen en kennen scheen schier onbegrensd.
De Kerk zong ijverig mee in het koor van de wetenschapsen vooruitgangsaanbidders. De dogma's van de erfzonde en de Gcxlheid van Jezus Christus werden in een theologisch museum geplaatst.
Toch.... weerklonken in clie tijd de stemmen van enige onheilsprofeten.
We denken aan cle jood Karl Marx, clie met bewogenheid protesteerde tegen de maatschappelijke ellende van de arbeidersklasse; hij verweet de Kerk dat zij de godsdienst als opium voor het volk gebruikte, doordat ze in haar bespiegelingen over de hemel, naliet te toornen tegen de uitbuiting van een steeds groter wordende groep mensen op aarde. Hij voorspelde de instorting van de uitbuitersklasse en de komst van een klassenloze samenleving.
Maar we denken evenzeer en niet minder aan Da Costa en andere mensen van het Réveil, die hun bezwaren tegen de geest der eeuw — in een grote bewogenheid met het gehele volksleven — uitten.
Het optimistische vooruitgangsgeloof bleef echter welig tieren totdat in 1914 de le Wereldoorlog uitbrak. Toen bleek, voor velen wel op een zeer pijnlijke wijze, dat de mens zijn kunnen en kennen ook kan gebruiken om aan zijn naasten het leven te ontnemen en om te verwoesten wat hij zelf opgebouwd heeft.
De economische crisis van de 30-er jaren, die de ouderen onder ons zich levendig zullen kunnen voorstellen, gaf — weer op een pijnlijke wijze — te kennen dat de liberale stelregel „ieder voor zichzelf en God voor ons allen" op economisch terrein levensgevaarlijke gevolgen had. De verlichte mens bleek ook op dit terrein niet in staat te zijn, zijn eigen boontjes te doppen zonder de begeleiding en een eventueel ingrijpen van de overheid.
Vele mensen verwachtten in die tijd, met zijn ontzaggelijke werkloosheid, een helper in en uit de nood, een sterke man. In Duitsland bleek Hitier dit te zijn, in Nederland Mussert. Na enkele jaren brak de 2e Wereldoorlog uit.
Deze oorlog heeft aangetoond waartoe cle mens en een volk in staat zijn, wanneer niet de God van Israël maar een sterfelijk mensenkind als „Führer" (leider) wordt aanbeden. Maar ook welk een schadelijke invloed het heeft op de samenleving wanneer de Kerk (behoudens enige uitzonderingen) uit vrees voor het concentratiekamp en het lijden nalaat om vanuit het Woord Gods tot het volk en de overheid te spreken.
Wie enigszins op de hoogte is met de moderne litteratuur en met het tegenwoordige levensgevoel, zal moeten toegeven dat het optimistische vooruitgangsgeloof behoorlijk geknakt en bijna verdwenen is. In Rusland en in Amerika mogen de eerste ruimtevaarders met een bijna religieuse enthousiasme verwelkomd zijn, toch herinneren Cuba en Laos een ieder aan de mogelijkheid, dat een 3e Wereldoorlog kan uitbreken. En wie denkt dan niet even door over de huiveringwekkende gevolgen van een atoomoorlog?
Het is dan ook beslist geen wonder, dat een opgeschroefde ondergangsstemming in en buiten de Kerk steeds meer veld wint. In de geest van: God is afwezig in deze wereld, het
leven heeft geen enkele zin en het beste is dan ook er maar zo spoedig mogelijk van af te zijn of als een veroordeelde het zinloze leven op je schouders te nemen en je mannetje te staan.
Toch is dit levensbesef zuiver heidens! Ook in het Boeddhisme wordt het leven op aarde als een minderwaardige zaak gezien en is het leven in „nirwana" (een soort hemel) pas het eigenlijke leven.
In de Heilige Schrift openbaart God ons echter nadrukkelijk dat Zijn Schepping zeer goed is en dat Hij ons in Zijn wei-behagen (d.w.z. genoegen) heeft geschapen op deze aarde. Dat we schepsel zijn is dus een goede en schone zaak omdat Hij dit zo heeft gewild.
Dat we echter tegelijkertijd zondaar zijn, dat is onze schuld. We hebben Zijn goede Schepping aangetast en zijn niet meer tevreden — evenals de Boeddhist — met het feit, dat we schepsel Gods zijn op deze aarde.
De HEERE heeft ons echter ook geopenbaard, dat Hij door Zijn Zoon „alle dingen verzoenen zou met Zichzelf, hetzij de dingen die op aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn" (Coloss. 1 : 20).
Wanneer U Psalm 8 dan ook aandachtig leest, zult U kunnen begrijpen dat het moderne levensbesef in diepste zin in strijd is met Gods bijzondere Openbaring (de Heilige Schrift).
Laten wij in ons persoonlijk leven nagaan in hoeverre wij misschien al door dit levensbesef zijn besmet en dan ook staan naar de verzoennig, ook van deze zonde, door het bloed van Hem, Die — tot onze grote schande — vrijwillig mens wilde worden omdat wij verscheurde mensen zijo. Petrus roept ons toe: „En het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchter en waakt in de gebeden".
(Zie vervolg pag. 184)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 19 mei 1961
Daniel | 8 Pagina's