De Heidelbergse Catechismus
(29).
De 17e eeuw. Cateehismusprekeu.
Aan het besluit van de Nationale Synode, dat in alle gewesten van ons land in de namiddaggodsdienstoefeningen de catechismus moest worden gepredikt, werd, hoewel niet overal zonder tegenstribbeling en weerstand, gevolg gegeven. Hier gebeurde het wat vroeger, daar wat later.
Veel leraars voelden zich toen gedrongen, hun preken over de Heidelbergse Catechismus uit te geven. Ze deden dat, zoals ze zeiden, , ten dienste van hen, die zich tot de Heilige dienst wilden begeven of voor „ongeoefende dienaars." (Want er waren er velen, die niet ge-•studeerd hadden en van oude tajen niets afwisten), of „tot bevordering deiware godzaligheid bij de gemeente Jezu Christi."
Sommigen gaven hun catechismuspreken uit in het Latijn, een taal, die ze vaak beter verstonden dan hun moedertaal. Velen waren trouwens altijd gewend geweest hun preken in het Latijn op te stellen. Pas op de preekstoel gekomen, gaven ze de Hollandse vertaling ervan weer. En wanneer men dan niet zo gauw een goed Hollands woord vinden kon, dan gebruikte men het Latijn'se maar.
Nu zal de lezer van „Daniël" van mij niet venvachten, dat ik een opsomming zal geven van de 17e eeuwse catechismuspreken. Deze arbeid zou even vervelend als nutteloos voor schrijver en lezer zijn. Ik zal mij daarom beperken tot enkele namen van de belangrijkste predikanten: Florens de Bruyn, Cuilenborg, Hendrik van Diest, Coenraad Dieterich, H. van Eighem, Cornelis Gentman, Casparus Sibelius en de bekende Willem en Maximiliaan Teelinck. Meer namen zal ik niet noemen. Misschien in het vervolg nog een paar als het zo te pas komt.
Het merendeel van de werken van deze dominees stond bij onze vaderen in hoge achting. Met nut en stichting lazen ze ze bij het ontbijt, na het noenmaal en dikwijls gebeurde het dat het hoofd van het gezin ze voor zijn huisgenoten voorlas. Over vrijetijdsbesteding gesproken!!!
Everhardus van den Hoogt gaf leerredenen uit over de Heidelbergse Catechismus, die met zoveel genoegen werden gehoord, dat ze de jeugd niet alleen uit de herbergen trokken, maar de uitgaaf ervan werd zelfs door die jeugd bekostigd!! Jeugdproblemen? ? Hier loste de jeugd ze zelf op ten goede! Wanneer men in onze tijd zo'n oude catechismuspreek in handen krijgt - ze zijn er nog - en men leest ze, dan moet men niet uit het oog verhezen, dat ze niet slechts zijn opgesteld met het doel, het volk de Christelijke godsdienst te leren, maar veehneer om de dogma's der kerk te verdedigen tegen allen, die ze bestreden hadden of nog bestreden. Beschouwt men ze van polemische zijde, dan kan het niet geloochend worden, dat in de meeste een dorre, droge, schoolmatige voordracht heerst, dat ze vol zijn van spitsvondigheden, ingewikkelde vraagstukken, beuzelachtige kleinigheden, wijsgerige weerleggingen en dat men hoogst zeldzaam maar goede regels van uitlegkunde verklaarde Bijbelplaatsen tot bevestiging der waarheid vindt aangevoerd.
De bevindelijke waarde is zeer verschillend. Er zijn er bij zonder praktikaal nut, die zelfs in de toepassing nog polemiseren: koud, dor, zonder geest en leven. Die zullen zeer zeker ook zonder stichting gehoord of gelezen zijn. Er waren echter ook anderen, waarin het de schrijvers er om te doen was, de zondaars aan zichzelf te ontdekken, zoals die van Voetius, Teelink, en later van Smijtegeld en Brakel. Het zijn juist hun werken, die onze vaderen in de boekenkast een plaats gaven naast de Bijbel.
Wanneer er over de catechismus gepreekt werd, dan las men een tekst voor uit de Heilige Schrift, waarin het voornaamste uit de te behandelen zondag werd verklaard. Na het voorlezen van de tekst had die der vragen plaats, wat soms gebeurde door jongens uit het wees-of armenhuis. Hierop ging men tot de inleiding, verklaring en toepassing over. Werd de tekst verklaard, dan roerde men de catechismus nauwelijks aan, maar sloeg men, na voorlezing er van, geen aandacht meer aan de tekst, dan bepaalde men zich alleen tot de catechismus, wat vooral gebeurde, als er batterijen in stelling werden gebracht tegen Arianen, Kwakers, Remonstranten, Socinianen, Papisten, Pelagianen enz. Op sommige plaatsen, vooral in Zeeland, werd de voorlezing van een tekst nagelaten, hetgeen niet werd goedgekeurd, omdat dit voedsel gaf aan het smoesje der Remonstranten, dat bij de Gereformeerden de catechismus en de Heilige Schrift hetzelfde gezag hadden. Overigens waren de catechismuspredikaties niet zelden doorspekt met aanhalingen van oude Latijnse en Griekse schrijvers en voorbeelden uit de Algemene en Vaderlandse geschiedenis. Zeer gunstig staken hierbij af van der Hagen, Teellink, en later Smijtegelt en Brakel.
Tenslotte willen we dit opstel beëindigen met een stukje uit een catechismuspreek uit de 17e eeuw. We nemen als voorbeeld niet een ons bekende oude schrijver, maar de toepassing bij de behandeling van zondag 45 over het gebed van dc Amsterdamse predikant van der Hagen. Die toepassing luidt dan alsvolgt:
„Gij ziet clan hierin, dat gij bidden, hoe gij bidden en wat gij begeren moet. Gij kunt nu lichtelijk afnemen wat onze vermaning wezen zal. Deze plicht wordt dapper verwaarloosd en van het meeste gedeelte flauwelijk waargenomen. Niemand van ons, die hier niet aan schuldig is, die zo veel, zo wel bidt, als hij behoort te doen. Laat ons dan deze plicht voortaan beter behartigen; altoos is hij nodig, maar bijzonder, gij weet hoe wij ze nu van doen hebben. Daar moet nu gebeden zijn, zal er overwonnen worden. Zo dat wapen verroest is en wij dat
niet gebruiken, zo wij daar niet mede overmogen bij de Heere, alle andere wapenen zullen te kort schieten bij onze vijanden. Bidt dan, smeekt in uw noden. God eist het van u, 't is de wil van uw Vader. Die u zo veel geeft en zo veel goeds doet, zoudt gij die niet willen dankbaar zijn? En hoe zult gij dat doen, zo gij Hem niet erkent en aanspreekt in uw gebed? Dat wij bidden mogen is zelfs de grootste dankbaarheid waardig, zouden wij dan niet bidden willen! Dat wij tot God mogen gaan, roepen: Abba Vader, onze begeerten aanmerken als begeerten des Heiligen Geestes, in welke Hij bidt voor ons; welk een grote zaak! God wil u ook niet genadig zijn, tenzij gij Hem aanroept. Gij moet gaan en snakken naar Gods genade, bedelen om Zijn gunst. Maar ziet toe, dat gij wel bidt. Weg met engelen, heiligen, en alle schepselen, aanbidt gij de Heere uw God, aanbidt Hem in de naam van Jezus Christus. Treedt toe met deze Middelaar, nadert in die Borg des Nieuwen Testaments, bidt uit gevoel van uw noden, toont dat het u ernst is en dat gij gaarne wilt verhoord zijn. Bidt met aandacht en eerbiedigheid. Komt met een boetvaardig hart. God hoort geen onberouwelijke zondaren. Mengelt gebeden en dankzeggingen; dankt voor dat gij ontvangen hebt en belooft de Heere, dat gij ontvangen zult, dankbaar te gebruiken en te besteden tot Zijne ere. Zijt voorzichtig in uw gebeden; eist al wat gij van node hebt, maar met onderscheid tussen dingen die meer en minder noodzakelijk zijn. Bidt dikwerf het gebed onzes Heeren; leert het uw kinderen bidden. Bidt toch met verstand en opmerkzaamheid, daarin steken grote verborgenheden, arbeidt totdat ze u bekend zijn. Zo zal de Heere u verhoren en u geven wat gij behoeft tot troost en onderhouding van dit leven en hier namaals beide ziel en lichaam vervullen met Zijn heerlijkheid. Amen!"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 5 mei 1961
Daniel | 8 Pagina's