Scheiding
(J. C. Bloem)
In verband met de jaarlijkse boekenweek zijn in het gebouw van de Drukkerij en Uitgeverij v/h C. de Boer Jr. N.V. te Hilversum vier schrijfsters en drie schrijvers aan het werk gezet Deze zeven genodigden werden zetters, drukkers en binders. Een nieuw en nog nimmer gepubliceerd gedicht van J. C. Bloem moest gezet, gecorrigeerd en gedrukt worden. Het zevental heeft uren werk gehad om een gedicht van veertien regels gedrukt te krijgen: het had van dat werk geen kaas gegeten; het behoorde tot het schrijverscorps en dat weet van letters zetten en drukken maar heel weinig af. Mijn bedoeling is niet om cle mensen, op een wel zeer onhandige manier, aan het werk te zien, dan wel om het sonnet van Bloem, dat gedrukt werd, nader te bezien. Het had tot titel „Scheiding".
Een week niet lang? Een dag is nog te lang Voor wie een scheiding afmeet naar seconden En door de hartslag van de tijd gebonden Blijft aan die andre als zang en wederzang.
Wees maar eerlijk, op het eerste gezicht begrijpen we het niet zo goed. De dichter Bloem is geen moeilijke schrijver, maar we moeten eerst even wennen aan zijn manier van zeggen. Ook dienen we iets te weten van de geaardheid van de dichter. Zijn poëzie is „de zuiverste spiegel van het levensgevoel ener welgestelde, culturele burgerij, aan welke door sociale en geestelijke revolutie alle levenszin en liefdesdroom ontviel." Hij „houcït zichzelf van meer noch minder waarde, dan al wat leeft onder de zonneschijn." Hij voelt zich sterk gebonden aan de mensen en daarom heeft zijn werk zo'n menselijke toon, die meestal direkt aanspreekt.
Om nu op het gedicht terug te komen: Is een week van scheiding niet lang? Een dag van scheiding is nog te lang voor diegenen, die het leven intens willen leven; die aan alles wat het leven biedt zó gebonden is, dat hij het kleinste stukje van de tijd wil doorleven; aan hen, die hem lief en dierbaar zijn, voelt hij zich zo gebonden als zang aan wederzang; er is geen scheiding, want als de ene gezongen heeft begint de andere; de gesprekken gaan over en weer.
Enigszins hebben we de bedoeling nu begrepen. Nu gaat het gedicht verder:
Een dag alleen zijn is een dag ontroofd Aan de hoe weinigen nog wellicht die resten, Tot in de schemer van het veege westen De scheidensblik naar de beminde dooft.
Met een dag alleen-zijn bedoelt Bloem wellicht: een dag, die nutteloos is doorgebracht; een dag, waarin we gescheiden leven van de beminde(n). Zo'n dag ontroven we aan de wei-
nige dagen, die nog zullen overblijven. De dood, die op de weinige dagen zal volgen, wordt uitgedrukt door de „schemer van het veege westen." In het westen gaat de zon onder; dan komt de schemering en alles verdooft: de levensdag sterft en de laatste blik naar hem of haar, die ontviel, dooft als het late gloren van de ondergegane zon.
En dan gaat de dichter verder spreken over de scheiding door de dood:
Het leven volgt onwrikbaar de eigen lijn. Elk oogenblik kan steeds het laatste wezen En één zal altijd eenmaal 't laatste zijn.
Deze regels spreken voor zichzelf. De loop van het leven is onwrikbaar: niets is er aan te veranderen; het is volgens een vast schema uitgestippeld. Ieder ogenblik kan het afgelopen zijn, en één ogenblik zal zeker het laatste tijdstipje van het leven betekenen. En dan?
Dan zal van 't lijf, ontkomen aan de tijd, Niets dan wat naamloos stof meer zijn gebleven, Wervelend op de wind van de eeuwigheid.
Merk hier op, dat Bloem niet spreekt van lichaam, maar van het ouderwetse lijf. Wellicht omdat lijf in onze tijd niet meer die betekenis heeft, die het eertijds had: lijf heeft nu een meer ongunstiger betekenis; de mens is in het gedicht gestorven en nu blijft slechts het omhulsel over, het lijf. Het stof is naamloos: de mens is niet meer, is vergeten en de eeuwigheid is aangebroken; het is buiten de tijd gebracht: ontkomen aan de tijd.
Hoe uitzichtloos is zulk een sterven! Er is geen woord over het leven na dit leven: dood is dood. Aan de ene kant een wrange gedachte voor iemand, die het leven zó heeft bemind. Aan de andere zijde kunnen we begrijpen, dat Bloem, die nu de zeventig al enkele jaren is gepasseerd, steeds meer met het vergankelijke van het lichaam wordt geconfronteerd. Straks zal de scheiding van het leven plaats grijpen. Hoe anders zou zijn gedicht eindigen, wanneer hij uitzicht had mogen krijgen op het land van Immanuël, waar geen dood en verschrikking meer zal zijn en de zon niet meer zal ondergaan, maar waar het altoos dag zal zijn, vanwege het Lam, clat de Kaars is.
Om daar voor eeuwig te mogen zijn, zullen we hier een scheiding moeten leren kennen, een scheiding tussen ons en onze Schepper, die alleen teniet gedaan kan worden door Hem, Die gescheiden was van Zijn Vader, toen er voor Hem geen plaats meer was op de aarde noch in de hemel, gehangen dat Hij was aan het vervloekte kruishout.
INDEX.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 21 april 1961
Daniel | 8 Pagina's