JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Waar de verte wijkt

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Waar de verte wijkt

4 minuten leestijd

Steeds zullen de hemellichamen bij ons vragen oproepen naar het hoe en waarom; de eeuwen door hebben de mensen met verwondering het hemelgewelf met de ontelbare sterren bekeken. Wat de zon is zal niemand precies kunnen zeggen; de maan is aan één zijde nog nooit gezien, zij het misschien op wazige, wellicht gefingeerde foto's; de sterren, wie zal het getal ervan uitspreken?

En toch gaan bij heldere hemel onze blikken omhoog; en ja, op dezelfde tijd in het seizoen verschijnt Orion weer, en 's morgens vroeg staat de Wagen helemaal omgebogen met de steel naar beneden. Vanuit de Orion moeten we even op de „kaart" Sirius" proberen te vinden, die heldere blauwachtige ster. En het komt uit: waar we hem verwachtten, staat hij te flonkeren. Amos, de veeherder van Tekoa, die zo vaak de sterrenhemel gadesloeg, roept uit: „Die het Zevengesternte en den Orion maakt en de doodsschaduw in morgenstond verandert: Heere is Zijn naam."

Geregeld beschouwen mensen in sterrenwachten de hemel. Er ontgaat niets aan het oog. De telescopen trekken de ontzaglijk verre sterren dichter bij de aarde. Planeten worden als gouden asters gezien en er wordt gemeten en onderzocht en overlegd en vele geheimen worden nooit ontsluierd. Wat de Schepper van hemel en aarde op Zijn machtwoord in een enkel ogenblik te voorschijn riep, levert eeuwen lang stof tot bestudering en leidt tot de wonderlijkste veronderstellingen. August Vanhoutte, een vlaams dichter, die leefde van 1889— 1936 schreef over de sterrenwacht in een bundel „Nagelaten Gedichten", in 1945 uitgegeven. Een titel staat niet boven het gedicht; slechts de vorm van het vers wordt genoemd: sonnet. Er was zeker geen sprekend opschrift te vinden. Het gedicht begint aldus:

En in cle koepel van cle sterrenwacht Nu naar de lengte, dan weer naar de breedte Heb ik omvang van zon en maan gemeten En mij daarom een groot persoon gedacht.

Door zijn studie is hij een groot man geworden. Hij wist dingen, die een ander niet wist en met grote ogen van verbazing zag men hem aan.

Maar zijn vermetelheid is spoedig verdwenen:

Dit echter heeft mij weinig baat gebracht. Want, naast mijn toestel peinzend neergezeten, Heb ik mij thans mijn eigendunk verweten, Mijn nietigheid bekend bij al die pracht. De dichter komt tot de slotsom waarbij Job moest eindigen: Zie, dit zijn maar uiterste einden zijner wegen; en wat een klein stukje der zaak hebben wij van Hem gehoord! Wie zou dan de donder zijner mogendheden verstaan? " (Job 26 : 14). Op die vraag van Job komt geen antwoord. Het is een vraag die geen weerwoord duldt, want zó is het. Heel eerlijk komt Vanhoutte dan tot de bekentenis, dat het heelal nooit te doorgronden is; dat er een grens is aan het vorsen van de nietige mens:

Nooit wordt de kaart der hemelen volmaakt. Hoe hoog men ook met telescopen kijkt, Daar komt een grens, waarover 't oog niet reikt.

En toch, de dichter vermoedt wel dat er nog heel veel te zien zou zijn, achter de grens waar de telescopen niet kunnen doordringen. Er moeten nog veel meer sterren zijn dan we met onze toestellen kunnen aanschouwen, maar hier moeten we ophouden, want verder reiken bestaat niet. Het gedicht eindigt dan ook:

Terwijl de geest vermoedt al wat daar prijkt Achter clie grens, al wat daar verder blaakt, Verder en verder, waar de verte wijkt.

Die grote verte wijkt al verder en verder van ons af; ze is onbereikbaar. We moeten er in berusten dat we het niet verder kunnen dragen. En dan zal het ons tot verwondering kunnen brengen en wij, cle inwoners der aarde, zullen slechts sprinkhanen zijn.

Jesaja gebruikt dit beschouwen van Gods grootheid als een troost in moedeloosheid (Jesaja 40): „Heft uw ogen op omhoog, en ziet wie deze dingen geschapen heeft: die in getal hun heir voortbrengt, die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid zijner krachten en omdat Hij sterk van vermogen is: daar wordt er niet één gemist."

De profeet wil zeggen: Die grote Schepper van hemel en aarde, is Die niet machtig genoeg om naar u om te zien, o Jacob, o Israël? Hij wordt moede noch mat en er is geen doorgronding van Zijn verstand! Hij zal den moede kracht geven en sterkte aan hen die geen krachten meer hebben. Die de Heere verwachten zullen cle kracht vernieuwen en zij zullen lopen en niet moede, wandelen en niet mat worden. Zo vaak wordt het volk van God gewezen op Zijn almachtigheid, Die zo schoon tot uiting komt in het rijk der natuur. Abraham moet ook naar de sterren zien en aan Job vraagt de Heere Zelf: Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen van Orion losmaken? Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen in haar tijd en de Wagen met zijn kinderen leiden?

INDEX

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1961

Daniel | 8 Pagina's

Waar de verte wijkt

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1961

Daniel | 8 Pagina's