Medifatie
„Toen zeide Jezus tot hen: ij zult allen aan Mij geërgerd worden, in deze nacht; want er is geschreven: k zal de lierder slaan en de schapen der kudcle zullen verstrooid worden. Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea: (Matth. 26 : 31-32)
In het verband van onze tekst heeft de Heere Jezus de Paaszaal verlaten. Daar in de Paaszaal heeft de Heere het pasa met Zijn discipelen gehouden en toen tevens dit Oud-Testamentisch sacrament vervangen door het Nieuw-Testamentisch Heilig Avondmaal. Het was aan die paasmaaltijd een tijdlang zeer onrustig geweest. Immers, de Heere Jezus had gezegd, dat één van Zijn discipelen Hem verraden zou. In grote ontroering vroegen de discipelen: „Ben ik het, Heere? " En toen ontmaskerde de Heere Jezus Judas en sprak tot hem: „Wat gij doet, doe het haastelijk." Daarop verliet Judas de paaszaal en verdween in de nacht om Zijn Heere a r • het Sanhedrin te gaan overleveren, a .n wie hij Hem immers reeds voor dei ^ zilverlingen verkocht had.
Zo vindt dus de instelling van het Heilig Avondmaal plaats temidden van aangrijpende tonelen: ontstelde discipelen en een ontmaskerde verrader.
Zo gaat het nog vaak, wanneer Gods volk het Heilig Avondmaal viert. Dan vindt soms gemeenschap met de Koning plaats temidden van de ontroering der hel. Maar in die gemeenschap bij brood en drinkbeker komt dan ook de ontroerde ziel tot rust. En nadat de Heere Jezus dan in de paaszaal met Zijn discipelen de lofzang heeft gezongen, gaat Hij met hen in het nachtelijk uur naar de Olijfberg, het lijden tegemoet. O, bewonder hier de borgtochtelijke liefde van Christus, daar Hij hier vrijwillig het lijden tegemoet gaat. „Overmits Hij de Zijnen liefheeft, zo heeft Hij hen liefgehad tot het einde".
Zo wandelt de Heere met Zijn discipelen hier voort en dan keert Hij zich om om tot hen te spreken. „Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan Mij geëergerd worden in deze nacht; want er is geschreven: Ik zal de Herder slaan en de schapen der kudde zullen verstrooid worden".
Christus wijst in deze woorden de discipelen op de profetie in Zacharia 13 : 7: Zwaard! ontwaak tegen Mijn Herder en tegen de Man, Die Mijn Metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen; sla die Herder en de schapen zullen verstrooid worden; Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden".
De Herder, van wie hier sprake is, is de Heere Jezus Christus. Hij is de goede Herder, Die Zijn leven stelt voor Zijn schapen. Hij heeft Zijn leven afgelegd om de Zijnen te redden van de dood. O, schapen Zijner weide, Gij zijt duur gekocht.
En nu zou die Herder geslagen worden met het zwaard van Gods ontzaggelijke gerechtigheid en heilig misnoegen over de zonde, met het zwaard van Gods brandende toorn. Maar wat heeft Jezus dan misdaan, dat Hij met zulk een vreselijk zwaard geslagen wordt?
Wel lezers, Hij heeft niets misdreven. In de aangehaalde profetie van Zacharia noemt de Vader Hem: „de Man, die Mijn metgezel is". Hij is als mens heilig, on-
nozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren en tevens is Hij Gods Metgezel, de eeuwige eniggeboren Zoon des Vaders, vol van genade en waarheid. Maar Hij is de Herder van de schapen. En nu hebben de schapen gezondigd, zij moeten de eeuwige dood sterven en nu stelt Hij als de goede Herder Zijn leven voor de schapen, Hij neemt hun straf op zich, daarom wordt Hij geslagen met het zwaard van Gods gerechtigheid en toorn over de zonde. Daartoe heeft Christus als de Herder Zich reeds van eeuwigheid gegeven.
Van de dag van Adams val af, was dat zwaard van Gods gerechtigheid als slapende. De heiligen onder het Oude Verbond gingen ten hemel in op grond van het feit, dat Christus Zich reeds van eeuwigheid gegeven had. Maar nu, nu was de dag gekomen, dat dat zwaard ontwaakte. Nu spreekt de Vader: „Zwaard ontwaak tegen Mijn Herder en tegen de Man, die Mijn Metgezel is". God kan van Zijn gerechtigheid niet afstaan en daarom kan Hij de zonde niet onvoldaan vergeven. De dag moest komen, dat het zwaard ontwaakte. Ieder levendgemaakte zondaar gaat er iets van inleven, dat Gods Recht hem von-
ZENDINGSVELD
Naar aanleiding van enkele gevoerde acties ten gunste van het zendingswerk van de heer J. D. v. Woerden, welke acties onlangs werden beëindigd, ontvingen we van de heer Van Woerden een woord van dank voor onze „Daniër-lezers, wat we hierbij gaarne plaatsen.
1 februari 1961.
Eind december 1960 ben ik naar Nederland gekomen met zes maanden verlof.
Gedurende de drie jaren die ik weg geweest ben, heb ik maar weinig blanken gezien en met heel weinig blanken gesproken die de zaak des Heeren een warm hart toedragen. De geestelijke en materiële steun van zendingsvrienden in Holland via „Daniël" zijn dikwijls mij tot troost en bemoediging geweest.
Ik verblijd mij, dat de Gereform. Gemeenten een zendingsteam naar Nieuw-Guinea uit hopen te zenden. Mijn vader heeft dan ook de heer Kuyt uit Katwijk aangeraden om een speciale cursus te volgen in Londen aan de school waar ikzelf ook geweest ben.
Vele mensen in Holland hebben mij verteld, dat ons volk nog niet rijp is voor zendingswerk op grote schaal. Maar hebben wij sinds de reformatie niet 400 jaar de tijd gehad om rijp te worden. Hoevelen zijn in die tijd niet geboren zonder Christus, hebben geleefd en zijn gestorven zonder Hem, en nu in een verloren eeuwigheid zonder Jezus.
Een zendeling weet niet precies wie de politieke en kerkelijke leiders van Nederland zijn. De laatste beursberichten interesseren hem niet. Veel woorden uit zijn eigen taal is hij zelfs vergeten. Maar er zijn andere dingen die hem helder voor de geest staan.
Dat zwarte jongetje, Ratusa M' alou, die lag te sterven aan tuberculoris en vroeg waarom de zendeling er niet was om hem uit de Bijbel en van de Heere Jezus te vertellen. Dat stervende kind kon niet begrijpen dat 100 km verder anderen door de zendeling geholpen moesten worden.
Ik denk aan de velen, jonge kindertjes en ouden die de eeuwige nacht ingaan, zonder ooit van. het Licht der wereld gehoord te hebben.
Zij weten niet van die nacht toen het plotseling licht werd. „Want ziet ik verkondig U grote blijdschap, die alle volken wezen zal." Grote blijdschap? Alle volken? Hoe lang nog Heere voordat „alle volken" in hun eigen taal zullen kunnen bidden tot U:
..Ik ben nooddruftig, arm en naakt; O God! mijn Helper uit ellenden! Haast U tot mij; wil bijstand zenden: Uw komst is het, die mijn heil volmaakt.
J. D. VAN WOERDEN
v. d. Heydenlaan 3, Zeist
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1961
Daniel | 8 Pagina's