BIDDAG
I.
Wij willen bruut het groot heelal doormeten en willen niet wat God voor ons verkoos; ons doen is dwaasheid, want het hart is boos: wij hebben van verboden vrucht gegeten.
Wij tasten wel naar andere planeten, maar blijven mensenkinderen, zwak en broos; wij leven 't leven slechts een korte poos, met iedre keer weer slapen, werken, eten.
O, leer ons bidden, nu wij zaaien gaan, en wil op tijd uw zon en regen geven, wij kunnen zonder voedsel niet bestaan,
Bewaar ons voor het goddeloze streven om steeds maar eigen wegen in te slaan, en maak ons zoekers naar het eeuwig leven.
II.
Wij vuren projectielen naar de maan en laten andre naar de aarde keren, en mochten zij terug tot stof verteren, dan gaan we voort en zoeken ruimer baan.
en zonder God het leven verder gaan? Wie zou nog bidden, nu we zelf regeren Elk zal wel zorgen voor een goed bestaan! Wie wil riog dat een God regeert beweren?
Zijn wij dan blind voor 't vreselijk gevaar? Wij weten toch: raketten liggen klaar! Eén enkel sein: de slachting is begonnen.
Laat ons ootmoedig tot de Heere gaan, Hij ziet in gunst die tot Hem komen aan, Hij werd door Jacobs worstelen verwonnen!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 maart 1961
Daniel | 8 Pagina's