Voor onze militairen
Vloeken in het leger
(II)
Naar aanleiding van het voorgaande artikel over dit onderwerp en de daarin vermelde gebeurtenis, zullen velen zich misschien afgevraagd hebben wat er in een dergelijk geval dan wel gedaan kan worden.
In dit artikel hoop ik dit duidelijk te kunnen maken.
Het „Reglement betreffende de Krijgstucht" biedt ons al voldoende mogelijkheden. Ik laat daarom de tekst van artikel la van dit reglement hier volledig volgen.
„Daar de godsdienst de bron is van alle geluk, deugd en waren moed, behoort ook in de krijgsstand een ieder zich tot het hoog houden daarvan en tot een zedige levenswijze te bevlijtigen; de godslasteringen, het vloeken en zweren moeten worden nagelaten en zullen de meerderen hierin en in al wat de handhaving der goede zeden kan bevorderen, hunnen minderen met een goed voorbeeld voorgaan, en alle buitensporigheden algemeen vermeden moeten worden." De taal van dit artikel is duidelijk genoeg en bij onze militairen en oud-militairen voldoende bekend. (Iedere militair wordt in het bezit gesteld van dit Reglement).
De bedoeling van dit artikel is om te voorkomen dat, bij een gedwongen samenleving in de kazerne van mensen met een verschillende levensbeschouwing, de één de ander in zijn godsdienstige gevoelens krenkt.
Geeft dit artikel in een algemene beschouwing weer hoe de samenleving in de militaire dienst moet zijn, het geeft in het bijzonder een gebiedende aanwijzing aan de meerderen, immers „Zullen (lees: moeten) de meerderen hier in hunnen minderen met een goed voorbeeld voorgaan".
Voor iedereen nu die in militaire dienst is of geweest is zal het duidelijk zijn dat het vloeken het plegen van een krijgstuchtelijk vergrijp inhoudt, omdat het een handeling is gericht tegen de wens van en in strijd met het Reglement betreffende de Krijgstucht.
Lezen we verder in het Reglement dan zien we dat artikel 22 lid a met name het vloeken verbiedt, want daar staat: „Den militair is verboden: a. het vloeken enz."
Uit hetgeen hierboven omschreven is blijkt duidelijk dat het vloeken dus verboden is en dientengevolge strafbaar zal zijn.
De grote vraag voor velen blijft nu nog alleen hoe deze theoretische gegevens in de praktijk te gebruiken, m.a.w. hoe dus, wanneer geen andere mogelijkheid bestaat, straf te laten volgen op het vergrijP-
Het moet ons echter niet direkt te doen zijn om de straf die een ander krijgt. De beste methode blijft m.i. om degene die vloekt attent te maken op het verkeerde daarvan, hem daarbij wijzende op de inhoud van de hier besproken artikelen. Wanneer ook dit, na herhaalde waarschuwingen, geen resultaat heeft, O ' O kunnen we overgaan tot het rapporteren van het vergrijp. De tot straffen bevoegde meerdere zal dan beslissen of er
al dan niet straf zal volgen. Nu is dit voor een militair t.o.v. zijn meerdere moeilijk want een mindere kan nu eenmaal zijn meerdere niet rapporteren. In deze gevallen (uiteraard de meest voorkomende) is het dus van het grootste belang om in een gesprek, en dan op de juiste wijze, de meerdere attent te maken op het verkeerde, het krenkende van zijn uilatingen. Heeft dit niet het gewenst gevolg, dan bestaat volgens het meergenoemde Reglement, de mogelijkheid een beklag te doen over een ondervonden krenkende behandeling. (Lees hierover de artikelen 9, 30 en 31 maar eens door). De meerdere die bevoegd is tot het geven van straf zal ook hier weer
uitmaken of straf noodzakelijk is. Ik heb getracht aan de hand van de bepalingen uit het Reglement betreffende de Krijgstucht aan te tonen dat een optreden tegen degene die vloeken zeer
goed mogelijk is. Uit ervaring weet ik dat het een moeilijke kwestie is en velen zullen dit met mij eens zijn. Het is daarom zeer te waarderen wat oud-minister Staf hierover in de Tweede Kamer tot ds. Zandt zei, en ik citeer hiervoor nogmaals het dagblad „Trouw" van 14 januari 1960,
waar staat: „Ons christelijk volksdeel heeft er recht op dat hun zonen in militaire dienst, niet in een sfeer komen waar dagelijks Gods naam wordt gelasterd.
VOOR ONZE MILITAIREN (vervolg)
Oud-Minister Staf heeft indertijd tot ds. Zandt gezegd dat het iedere militair die zich bezwaard gevoeld over het vloeken van zijn meerdere is toegestaan dit rechtstreeks te melden aan de Minister van Oorlog (nu Defensie)." Laten wij dan trachten en ik hoop dat hetgeen ik hierover schreef daartoe mag meewerken, het vloeken uit ons leger te weren, waarbij het ons dan niet te doen moet zijn om onszelf maar om de eer van Gods Naam.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 februari 1961
Daniel | 8 Pagina's