JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Theodorus van der Groe

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Theodorus van der Groe

6 minuten leestijd

(III).

Antwoord aan Jacob Groenewegen

De correspondentie tussen Jacob Groenewegen en Adriaan van der Willigen over Van der Groe's „Beschrijving van het Geloof', waarvan we in het voorgaande artikel melding maakten, was op dood spoor geraakt. De eigenlijke kwestie kwam op de achtergrond en vooral in de vierde brief maakte Groenewegen hatelijke opmerkingen aan het adres van Van der Groe. Dit was voor Van dei-Willigen aanleiding om een punt te zetten achter deze onverkwikkelijke pennestrijd.

Daar echter de brieven van Groenewegen hadden gecirculeerd onder vrienden van Van der Groe was de predikant van Kralingen zelf nauwkeurig op de hoogte van cle op hem gerichte aanvallen. En toen Groenewegen in zijn vierde brief de wens uitsprak, dat de betrokkene zelf zijn standpunt zou uiteenzetten, nam Van der Groe cle pen op om zijn zienswijze te verdedigen. We mogen wel dankbaar zijn clat deze brief van Van der Groe voor het nageslacht is bewaard gebleven, niet alleen omdat hij daarin op ondubbelzinnige wijze zijn visie geeft op een belangrijk dogmatisch geschilpunt van zijn (en onze!) dagen, maar ook omdat we daardoor een indruk krijgen van zijn pastorale bewogenheid. Het moet toch wel een model-zielzorger geweest zijn, die naast zijn drukke ambtelijke bezigheden tijd vond om een brief van meer dan 100 blz. druks te schrijven (en dat tweemaal, want naar hij zelf meedeelt schreef hij „alles nog eens in het net over"!)

Voor de wijze waarop Van der Groe zich tot zijn vroegere vriend richtte (clie hem toch verschillende malen persoonlijk had beledigd) kunnen we alleen maar bewondering hebben. Wie meent dat de predikant van Kralingen een ongevoelig en hoogmoedig karakter had, moet deze brief lezen. „Hoevele redenen ik heb om mij over uw handelingen smartelijk te bedroeven, " zo schrijft hij, „ik bemerk, dat mijn vlees en mijn hoogmoedig hart zulke tuchtigingen zeer nodig heeft. Gij en anderen zijt waarlijk het middel om mij gelukkiger te maken en om mij meer van de Heere Jezus te doen genieten. Daarom kan ik u ook naar waarheid betuigen, clat de Heere mij geeft, u meer liefde dan haat toe te dragen " Van der Groe vraagt zich dan af, wat voor reden Jacob Groenewegen toch mag hebben om zo te keer te gaan tegen een predikant, die enkele jaren met hem bevriend is geweest en die hij in woord en geschrift heeft beschouwd als „een getrouw en godzalig leraar." Aan het eind van cle brief oppert Van der Groe de mogelijkheid clat Groenewegen gehandeld zou hebben uit een soort rancune, omdat Van der Groe hem gewaarschuwd had, dat het verhaal van zijn bekering niet Bijbels verantwoord was! Dat zou een van de redenen zijn om hem nu te brandmerken als „een schrikkelijke verwoester en verderver van Gods volk." „Indien ik werkelijk zo iemand ben als gij van mij schrijft, dan ben ik cle ergste, gevaarlijkste, rampzaligste mens, die ooit het leraarsambt in onze Kerk bediend heeft...."

De voornaamste beschuldigingen, die Groenewegen tegen Van der Groe had ingebracht, waren, clat hij een geloof leerde

le „waarin geen daad of werkzaamheid van de mens voorkomt, maar dat geheel lijdelijk is.

2e waardoor de mens dus ook geen deel aan Christus of aan de zaligheid kan krijgen.

3e waardoor de mens het nochtans zeker en vast gelooft, dat Jezus zijn Zaligmaker is en clat zijn zonden hem vergeven zijn."

Dit is, zo betoogt Van der Groe, niets meer of minder clan een beschuldiging van Hattemisme, want hoewel Groenewegen de naam van Van Hattem niet had genoemd, hij kon „niet met goede rede ontkennen clat zulk een geloof het eigen en waarachtige geloof is van Pontiaan van Hattem, dat deze dwaalgeest in al zijn geschriften geleerd heeft." Of, om in meer Gereformeerde terminologie te spreken, Groenewegen beschuldigde Van der Groe dat deze „het gehele wezen des geloofs in de verzekering stelde." In werkelijkheid had Van der Groe betoogd dat cle verzekering „een noodzakelijk ingrediënt, een wezenlijke eigenschap van het geloof is."

Dit Reformatorische standpunt wordt door Van der Groe uitvoerig toegelicht aan de hand van cle werken van Willem Teelinck. Niet hij is dus een nieuwlichter, die, zoals Groenewegen geschreven had, „zijn eigen licht en bevinding boven het Woord stelt, " maar zij, die van dit standpunt afgeweken zijn. Het gaat hier niet om een ondergeschikte kwestie, in wezen gaat het om Rome óf de Reformatie! Rome immers leert, „dat een Christen van zijn zaligheid niet verzekerd kan zijn, maar daar altijd aan moet twijfelen, tenzij hij een extra-ordinaire openbaring ontvangen heeft." De Reformatie stelt daartegenover „dat een Christen uit de eigen aard en natuur van het geloof in de grond van zijn hart van de zaligheid moet verzekerd zijn door de genade van cle H. Geest en anders is hij geen gelovige."

Van der Groeve verdoezelt het niet, dat er onder de latere godgeleerden mannen geweest zijn, clie deze diepe kloof enigszins hebben willen overbruggen. Zij verwerpen enerzijds de bovennatuurlijke

openbaring, die Rome eist, maar ze lichten anderzijds de verzekering uit het wezen des geloofs en leggen die in het welwezen. Het gevolg is. dat er een geslacht opstaat, dat genoeg heeft aan een beredeneerd geloof, waarbij de verzekering onnodig wordt geacht, en dat met een hoop, die nergens op rust, de eeuwigheid tegemoet gaat.

De beschuldiging, die Groenewegen uit het voorgaande laat volgen, als zou Van der Groe eisen „dat iedereen het ogenblik van zijn overgang uit de dood in het leven nauwkeurig zou moeten weten, " wijst Van der Groe met verontwaardiging af. „Waar drijf ik zulk een gruwelijke dwaling? Ik geloof wel, dat er vele Christenen zijn, die cle tijd en de plaats weten, waarop ze zich voor het eerst aan de Heere Jezus hebben overgegeven, maar dat ieder tijd en plaats van zijn overgang uit de dood tot het leven zou moeten weten, dat is zelfs nooit in mijn gedachten gekomen." Ook, dat er in een gelovige geen leven zou zijn, voordat hij de verzekering des geloofs deelachtig is geworden, is een gevolgtrekking die door Van der Groe nooit is geo o maakt. In geen enkel opzicht wil hij iets anders leren dan hetgeen de Hervormers geleerd hebben. „Ik heb een grote hoogachting voor Sehortinghuis, Brakel, Koelman, Van der Kemp en Ilellenbroek, maar ik acht de oude theologen boven hen allen. Een Calvijn, Luther, Melanchton, Teelinck en Lodenstein wegen mij wel enige ponden zwaarder!"

Helaas konden we in het korte bestek van dit artikel de zaken slechts even aanstippen. Het zou geen kwaad kunnen als iemand zich de moeite wilde getroosten om van de briefwisseling tussen Groenewegen, Van der Willigen en Van der Groe kennis te nemen. Hier is veel meer aan de orde dan een 18de eeuws dogmatiek geschil; in wezen gaat het om het „Sola Fide" van de Reformatie. Daarbij moeten we de persoonlijke en plaatselijke omstandigheden, die vtaor ons van weinig betekenis meer zijn, maar op de koop toe nemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1960

Daniel | 8 Pagina's

Theodorus van der Groe

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 december 1960

Daniel | 8 Pagina's