JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

„Golgotha begint bij Bethlehem”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Golgotha begint bij Bethlehem”

4 minuten leestijd

Over het Kerstgebeuren is de eeuwen door al veel geschreven en er zal, zolang cle aarde nog niet is vernieuwd, veel over geschreven worden. Het is aangrijpend om te horen van het Kind, dat onder zulke omstandigheden werd geboren en dat zo'n groot Man zou worden! Iemand, waarover de hele wereld spreekt! Zó wordt het door velen voorgesteld, niet de Zone Gods die mens werd, maar een gewoon kind, clat groot zou worden en op een vreselijke wijze zou sterven. Er wordt een Kerstsfeer aangebracht; dat gaat immers zo goedkoop: een beestenkribbe in een stal, zingende engelen, wakende herders, een lichtende ster die cle weg aan wijzen uit het oosten moet wijzen! Dat alles kan een mens ontroeren en als dat het geval niet is, dan toch zeker wel interesseren. Toch zijn er heel wat dichters, die op dat „liefelijke" en „mooie" de nadruk niet leggen. Over de kribbe laten ze de slagschaduw van het kruis vallen. Koos van Doorne zegt in „Gebed in den Advent":

doe, Heer, ons toch verschrikt begrijpen dat Golgotha begint bij Bethlehem: wien rond Uw stal slechts droomen rijpen, hij zoekt vergeefs een nieuw Jeruzalem.

Theun de Vries schreef in „Westersche Nachten" (1930) een gedicht met de titel „Kerstmis". Tussen twee haakjes: laten wij toch niet spreken over „mis", maar over „feest". In dat gedicht is alles donker gekleurd; er is geen echte Kerstsfeer met klokken en sterren en zingende engelen en zo, maar het is droefgeestig. Met dit woord begint het gedicht al:

Droefgeestige aarde, Uw zware en sombre kimmen strekken zich leeg en grauw.

Wat oude wolken gaan als dunnen schimmen langs een verloren blauw.

Horen we goed de woorden: zware, sombre, leeg en grauw, oude wolken, schimmen, verloren blauw? De regels zijn geladen met naargeestigheid. En zo gaat het verder:

Aan onze zijde rijzen schrale zonnen, en soms bij nacht staat er een maan rood als uit bloed geronnen op doodenwacht.

Weer datzelfde: schrale zonnen, een bloedrode maan, doodenwacht. En dan in dezelfde grondtoon vervolgt het gedicht:

Er blies een koude over onze landen, een stem zonk heen — Ons leven wandelt over veege handen, hoe, dat weet God alleen.

Overal stort het duister op de steden angstwekkend groot, en kruis en grafzerk merken het verleden buiten van den dood.

Als we deze strofen lezen, denken we onwillekeurig dat het oorlogstijd is. Toch is dat niet het geval. Zoals we hebben gemerkt, is de bundel uitgegeven in 1930. (Toen was de dichter pas 23 jaar). Er was niet eens oorlogsdreiging. Wat betekent dan dit alles? Koude, donkerheid, kruisen en grafzerken?

Het is het onverzoend-zijn met de maatschappij, die geen paradijs vermag te brengen; niet tevreden-zijn met cle sociale toestanden, en daarom tekent hij alles zo somber. Het leven moest verlopen zonder zorgen, ziekte en verdriet. „Heel zijn leven voelde cle dichter de Dood als de vijand: in de kindertijd de begrafenissen van familieleden; later toen zijn moeder stierf."

En nu is het merkwaardig, dat de stoere Fries, vervreemd van het streng Godsgeloof van zijn ouders, gaat wijzen op cle Bijbel, clie hij „oude boeken" noemt. Hoor maar:

Vergeet! vergeet! en neem de oude boeken waar 't is bericht, dat, waar wij dag en nacht vergeefs naar zoeken: Gods helder licht.

Licht en leven, kleurrijke dagen, zonder ergernis en smart pogen we te zoeken, maar het is tevergeefs, zegt De Vries. Vergeet nu het sombere en lees in de „oude boeken", waarin Gods helder licht schijnt. En dan moet hij terecht komen bij het Licht clat in de wereld gekomen is, bij de stal in Bethlehem:

O ster, o stal, o wonder zoo verheven in uw onnoozelheid, kan zich een hart nog éénmaal overgeven dat stokt en schreit?

Onbewust wijst hij zichzelf op het wonder van Christus' geboorte, maar hij heeft er geen houvast aan. Het blijft een open vraag: kan een schreiend hart zich overgeven aan Christus? Het gedicht eindigt met een vraagteken. Het is of de dichter wil zeggen: zou het toch waar kunnen zijn, wat mijn ouders mij voorgehouden hebben?

Als het overgeven aan Christus alleen te doen is om het goed in de wereld te hebben, dan is het geen goed overgeven. Wie Christus wil volgen, zal zijn kruis moeten opnemen: „In de wereld zult gij verdrukking hebben."

Naar Zijn eigen woord, is Christus niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard. De „wonden" in de wereld zijn er gekomen door de zonden, en die zonden zal Christus wegnemen van hen, clie zondaar voor God zijn geworden, en clie achter in cle tempel staan, met neergeslagen ogen.

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1960

Daniel | 8 Pagina's

„Golgotha begint bij Bethlehem”

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 16 december 1960

Daniel | 8 Pagina's