Christus de Hoorn des Heils
Daar zal ik David een hoorn doen uitspruiten; Ik heb voor mijnen gezalfde een lamp toegelicht. Ik zal zijn vijanden met schaamte bekleden, maar op Hem zal Zijn kroon bloeien. Ps. 132 : 17-18.
.vkcu c». * .v Lop^n gedenken het troostvol heilsfeit van Christus' geboorte uit cle maagd Maria te Bethlehem.
Naar Zijn komst heeft cle kerk van het oude verbond verlangend uitgezien, wachtende op de vervulling der beloften: „want deze blijde boodschap heeft Gocl eerstelijk in het paradijs geopenbaard en later door de heilige patriarchen en profeten laten verkondigen, en door de offeranden en andere ceremoniën der wet laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld."
Door treffende beeldspraak hebben de profeten Zijn komst, macht en heerlijkheid cle volke verkondigd. Jesaja tekent Hem in Zijn komst als een rijsje voortkomende uit dc afgehouwen tronk van Isaï en als des Heeren Spruit.
In deze tekst spreekt de heilige zanger van Hem als de hoorn des heils welke zou uitspruiten uit Davids geslacht, en eeuwen later mocht Zacharias de vader van Johannes de Doper aanheffen in zijn lofzang:
Lof zij de God van Israël De Heer' die aan zijn erfvolk dacht En door zijn liefderijk bestel Verlossing heeft teweeggebracht Een hoorn des heils heeft opgerecht 't Geen Davids huis was toegezegd Dat wil Hij ons nu schenken.
Christus de geschonken (Joh. 3 : 16) en uitgesproten hoorn des heils; in clit schone beeld wordt ons als voor ogen gesteld Zijn volheid en macht. Want om het grote verlossingswerk uit te voeren was geen geschapen redelijk schepsel in staat. Mensen en engelen zijn onmachtig om Gode Zijn rantsoen te kunnen geven; niemand is bij machte de losprijs op te brengen; cle zware oneindige toorn Gods te dragen tegen cle zonde; te niet te doen de dood en te verpletteren de kop van hem clie het geweld des doods heeft, dat is de duivel.
Dewijl Hij zag clat er niemand was, zo ontzette Hij zich, omdat er geen voorbidder was; daarom bracht Hem Zijn arm heil aan, en Zijn gerechtigheid ondersteunde Hem. O, welk een machtige hoorn is cle gemeente Gods gegeven in Hem, de Held der Hulpe, wiens naam wonderlijk is, sterke God, machtig om te verlossen. Hij alleen is bevoegd en vermogend om in het huis van cle sterkgewapende in te gaan en zijn vaten te ontroven.
Alleen door Zijn machtwoord horen cle doden en verlaten ze hun zondegraf. Want uw volk zal zeer gewillig zijn op de dag Uwer ; n he'ljoe s'> racliën; uit de baaum . . d< zal u cle dauw uwer j< • .
Deze hoorn cles heils - v - mt een bewarende en beschuttende maJit; daarom is Zijn koninkrijk onoverwinnelijk, vveike machten zich ook opmaakten om Zijn kerk te vernielen en uit te roeien, welke listen en lagen bedacht en gelegd werden, Hij verbrijzelde en verstrooide de vijanden met de arm Zijner sterkte. Hij sluit de monden der leeuwen. Hij sterkt Zijn krachteloos volk met kracht in hun ziel zeggende: „Ik heb cle sleutels der hel en cles doods."
Hij is cle meerdere Simson en daarom zijn geen banden te sterk welke hij niet zou willen en kunnen verbreken. Vervolgens spreekt cle zanger van Hem, Ik heb mijn gezalfde een lamp toegelicht, en daarin w ij op een volheid van j licht dat in Ci stus bevonden wordt, want Hij is het Licht. Het levenslicht is sedert Adams val door de zonde uitgeblust; onze van God vervreemde staat wordt in cle Schrift duisternis genoemd, hoewel er nog enige spranken van natuurlijke Gods kennis in ons overgelaten zijn om alle onschuld te benemen. Zo zijn wij toch betreffende de zaligmakende kennis verduisterd in het verstand, ervreemd van het leven Gods door cle onwetendheid die in ons is door de verharding cles harten. O, eeuwig wonder van genade: als in Adam het gehele
mensengeslacht dreigt onder te gaan in de eeuwige nacht, zo verschijnt aan de lichtloze hemel de blinkende morgenster van verlichting der kennis, der heerlijkheid Gods in de tijding: „Ik zal vijandschap zetten tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad; datzeive zal u de kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen." De gezalfde een lamp toegericht, een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.
In deze lamp brandt het eeuwige onuitblusselijk licht der verkiezende liefde, daarom gezalfde genoemd. In Hem brandt het profetische licht om het verstand zijns volks te verlichten tot rechte zelfkennis van hun dwaasheid, verdoemelijkheid en verlorenheid en om de hun verborgen raad en wille Gods van hun verlossing te openbaren en te verklaren. In Hem brandt het Priesterlijk licht van volmaakte gehoorzaamheid in het brengen van het enig offer ter volkomen voldoening en verzoening voor de zonde Zijns volks. In Hem brandt de lamp Zijner dierbare voorbede, gegrond op Zijn offerande waarin Hij eist van de Vader de toebrenging, bewaring en wasdom Zijns volks, ja hun volkomen zalig zijn door aanschouwing in de hemel. Johannes 17 : 24.
Welk een bron van licht, leven en zaligheid bevat deze lamp voor het in zichzelf duistere volk dat nooit hier beneden, boven het getuigenis van David kan uitgroeien, want God doet mijn lamp lichten; de Heere mijn God doet mijn duisternis op klaren. Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.
In deze lamp brandt tenslotte het licht van koninklijke heerlijkheid; maar op Hem zal Zijn kroon bloeien en dat tot eeuwige beschaming Zijner vijanden, welke door Zijn rechtvaardige en verpletterende machtsroede zullen verbrijzeld worden. Doch tot eeuwige blijdschap van Zijn ware onderdanen die zich zullen verheugen in de eer en heerlijkheid van hun koning.
Alle koninkrijken zullen verwelken en vergaan; ja door de steen zonder handen afgehouwen, vermalen worden, want Zijns koninkrijks zal eeuwig zijn. Vreemdelingen van genade, de Koning buige heden nog Uwe harten in het stof, Uw wapens van vijandschap inleverend eer Zijn toorn u onverhoeds vertere. Kust de Zoon want nog nodigt Hij tot zaligheid. Volk des Heeren, onze verzuchtingen mogen zijn: regeer ons alzo door uw woord en Uw Geest, dat wij ons langs zo meer u onderwei-pen, want alleen door geloofsonderwerping kunt u zingen:
Zo moet de Koning eeuwig leven Bidt elk met diep ontzag Men zal hem 't goud van Seheba geven Hem zeegnen dag bij dag Is op het land een handvol koren Gekoesterd cloor de zon; 't Zal op 't gebergt' geruis doen horen Gelijk op Libanon. (Ps. 72 : 8)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 december 1960
Daniel | 8 Pagina's