JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

NOVEMBER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NOVEMBER

4 minuten leestijd

November, de laatste herfstmaand, is het voorportaal van de winter. Er resten, maar enkele weken meer, en het jaar is ten einde. Dit geeft een beklemmend gevoel: het is afgelopen. Het eindigen van het jaar is symbool van het verlopen van het leven, dat ten einde spoedt. En steeds meer willen we daar niet aan, daar we geschapen zijn om te leven. De dood, het vergaan, is iets onnatuurlijks. Daarom zullen we steeds de herfst beschreven vinden als iets sombers, iets droevigs, omdat alles ons gaat ontvallen.

Na de roodbruine warmte van september, na van oktober 't zwaar en donker goud, keren de heldre dagen van november met ijle geur van brandend turf en hout, van rijpe appels, rottend loof. Reeds koud worden de morgens in de kale velden, waar raven, met de ondergang vertrouwd, de heerschappij aanvaarden; sombre helden, die zich met nog somberder roepen melden. Op het vochtige land strijken zij neer, waar zij op paarden en op honden schelden, en zij voorspelden vorst en winterweer.

Dit fragment uit „novemberland" van Koos Schuur lijkt een eenvoudige beschrijving van het landschap in november, maar uit de woorden „ijle geur", „rottend loof', „kale velden", „ondergang", „sombere helden", „somberder roepen", en het voorspellen van vorst en winterweer, horen we het trieste van de novembermaand.

Hetzelfde horen we in „Herfst in mijn stad" van Ad den Besten:

Het regent, en men gaart het gistend slijk met moede zwaaien op de singelboorden; parken huiveren en naar milder oorden nemen rillende bladeren de wijk.

Zo dwingend raakt nu 't najaar onder woorden: meer dan lijfelijk binnen zijn bereik, ken ik geen droom, geen vluchtig lied gelijk de vogels, die de Herfst wégruisen hoorde.

Een andere dichter, H. J. van Tienhoven, ziet in de herfst wel een nederlaag en een menselijk tekort, maar er blijven toch ook nog naglanzen van het verlopen seizoen: de gerijpte appels:

Herfst over 't land. En zijn zachtmoedig licht, nog krachtig en van elede allure, herschept de zware damp der middaguren mij tot een meer dan wolkloos vergezicht

— met de verveelde wederkeer van hoeven als dorre plekken in 't oneindig groen der boomgaarden, waar weldra weer de droeve, volmaakte geur zal drijven van 't seizoen —

want ondanks het staag rijpen tot een leven van nederlaag en menselijk tekort, is in dit licht het najaar mij gebleven: de glans van appelen in moeders schort.

Ad den Besten, die straks al is geciteerd, heeft het ook wel over zon, maar het is de zon niet meer van de zomer: straks regent het dat het giet:

De zon is maar in scherts gemeend, de wind een deugniet, weggedoken, die met de wolken zit te spoken maar strakjes om de regen weent.

Heel gedwee en gelaten spreekt J. C. Bloem zich uit in „November", te vinden in zijn bundel „Media Vita":

Het regent en het is november: Weer keert het najaar en belaagt Het hart, dat droef, maar steeds gewender, Zijn heimelijke pijnen draagt.

En in de kamer, waar gelaten Het dagelijksch leven wordt verricht, Schijnt uit de troostelooze straten Een ongekleurd namiddaglicht.

De jaren gaan zooals zij gingen, Er is allengs geen onderscheid Meer tusschen doove erinneringen En wat geleefd wordt en verbeid.

Verloren zijn de prille wegen Om te ontkomen aan den tijd; Altijd november, altijd regen, Altijd dit lege hart, altijd.

We hebben wel begrepen, dat de dichter niet over de maand november schrijft, zoals een schoolkind dat zou doen wanneer het een opstel hierover moest maken. Bloem beschrijft

rijn leven, dat eindigen gaat: de jaren gaan zoals ze gingen. Het hart draagt heimelijke pijnen en is daaraan al gewend geraakt; zie maar naar de eerste strofe. Het leven kan niet blijven duren en dat is een troosteloze gedachte. De prille wegen, de jeugd, zijn nu eenmaal voorbij en het is november: slechts luttele dagen resten nog. De straten zijn troosteloos vanwege het ongekleurde licht in de namiddag (tweede strofe), want er is geen zon. Het verleden en het heden en de toekomst, het is alles eender: er is allengs geen onderscheid (derde strofe). De herinneringen zijn doof, uitgeblust, niet helder meer. En zo is de stemming van de dichter somber, net als de natuur buiten.

Hoe gans anders spreekt Gods Woord over het volk, dat een gegronde hoop heeft, wanneer de tabernakel zal worden afgebroken: Ten tijde des avonds zal het licht zijn!

INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1960

Daniel | 8 Pagina's

NOVEMBER

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1960

Daniel | 8 Pagina's