JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

De heilrijke vruchten  van geloofsbenaarstiging

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De heilrijke vruchten van geloofsbenaarstiging

5 minuten leestijd

Daarom, broeders, benaarstigt u te meer om uw roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen. Want alzo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig koninkrijk onzes Heeren en Zaligmaker Jezus Christus. (2 Petr. 1 : 10-11)

Petrus, de apostel der hope, schreef in dit hoofdstuk oveT de genadegave des geloofs, geschonken aan degenen die hij in vers 10 broeders noemt. Hij wijst op hun groot genadevoorrecht, en verkiezing, namelijk hun zaligmakende roeping en verkiezing, doch wat betreft de orde, stelt hij de verkiezing niet voor de roeping doch omgekeerd, dus keert hij theologisch de orde om. Immers Paulus schreef in Rom. 8 : 30: n die Hij tevoren verordineerd heeft, deze heeft Hij ook gerechtvaardigd.

Doch Paulus verklaart de Goddelijke heilsorde buiten ons en in dit licht gezien is er geen sprake van „vast te maken, " wijl zulks alles eeuwig en onveranderlijk vast is in God.

Daarom moet Petrus' vermaning, gericht tot de geroepenen en uitverkorenen, gezien worden als de heilsorde in ons, gelijk de kanttekening daarvan meldt: oewel de roeping ten opzichte van de tijd cle verkiezing volgt, die van eeuwigheid is, Ef. 1 : 4, daar de roeping in de tijd geschiedt, zo wordt nochtans de roeping hiervoor gesteld, omdat wij uit deze van onze verkiezing verzekerd worden. Nimmer zal onze ziel delen in de troost der verkiezing, dan alleen door zaligmakende roeping uit cle duisternis en overbrenging in Gods wonderbaar Licht.

Gelijk ons Zijn Goddelijke kracht alles wat tot het leven en cle Godzaligheid behoort, geschonken heeft, door de kennis dergenen die ons geroepen heeft tot heerlijkheid en deugd. En gij tot hetzelve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij deugd kennis, en bij de kennis matigheid, en bij cle matigheid lijdzaamheid, en bij cle lijdzaamheid godzaligheid, en bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde, liefde jegens allen. Want zo deze dingen bij u zijn, en in u overvloedig zijn, zij zullen u niet ledig noch onvruchtbaar laten in cle kennis onzes Heeren Jezus Christus.

Hoe blind en van verre niet ziende zijn toch degenen bij welke deze dingen niet zijn, die óf zichzelven van de genade der verkiezing lichtvaardiglijk vermetende, óf ijdel en roekeloos daarvan klappende, in de wegen der uitverkorenen niet begeren te wandelen.

Doch van cleze hun eeuwige en onveranderlijke verkiezing ter zaligheid worden de uitverkorenen te Zijner tijd, hoewel bij verscheiden trappen en met ongelijke mate, verzekerd; niet, als zij cle verborgenheden en diepten Gods curieuselijk doorzoeken, maar als zij de onfeilbare vruchten der verkiezing, in het Woord Gods aangewezen, (als daar zijn: het ware geloof in Christus, kinderlijke vreze Gods, droefheid, die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.) in zichzelf met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen. Hoewel de uitwendige roeping niet licht te achten is; integendeel stelt zij te meer verantwoordelijk. „Dewijl Ik geroepen heb en gijlieden geweigerd heb. Mijn hand uitgestrekt heb en daar niemand was die opmerkte, en hebt al Mijn raad verworpen en Mijn bestraffing niet gewild, zo zal Ik ook in ulieder verder ichen, Ik zal spotten wanneer uw vrees komt."

Daarom, hoe noodzakelijk is toch in des apostels dringende vermaning: Onderzoekt uzelf of gij in het geloof zijt, beproeft uzelf. Alleen door krachtdadige roeping worden we uit onze doodstaat opgewekt en onderwerpelijk geleerd uit Gods wet onze verloren staat, opdat al onze hope buiten Christus ons ontvalt en de taal des dichters in onze ziel doorleefd wordt:

'k Schatte mij geheel verloren, 'k Mocht van geen vertroosting horen, Als mijn ziel aan God gedacht Loosd' ik niet dan klacht op klacht.

Door zaligmakende roeping wordt elke geroepene te Zijner tijd door gerechtigheid voor gerechtigheid ingewonnen, opdat borggerechtigheid hun als ganselijk ontbloot en noodzakelijk wordt. Zalige stonde, als deze weg uit Gods eeuwig welbehagen hun ontsloten wordt in Hem die de Weg, de Waarheid en het Leven is, en door 't geloof zich mogen benaarstigen hun roeping en verkiezing vast te maken, want dat doende zult gij nimmer meer struikelen. Ook deze uitdrukking van Petrus schijnt in tegenspraak te zijn met de ootmoedige erkenning van Jakobus: Want wij struikelen allen in vele, indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man.

Volmaakte heiligen zijn er op aarde niet, hier blijven de geroepenen aan struikelingen onderworpen en nimmer zal een uitverkorene boven Davids bede uitgroeien in die zin, wil mij voor struikelen bevrijden en ga mij met Uw heillicht voor. Ook Petrus wist uit eigen ervaring wat struikelen betekende. Doch niet struikelen bindt hij aan de geloofsvoorwaarde van benaarstiging op de weg des geloofs, of gelijk de kanttekening opmerkt, namelijk zo, dat gij van de genade Gods gans zoudt uitvallen. Want „dat doende", door 't geloof, zullen cle geroepenen niet struikelen schreef Petrus. Door ongeloof struikelen ze, doch door 't geloof staan en wandelen ze op cle weg welke hen voert tot de ingang in het eeuwig Koninkrijk. En zal hun ingang ruim en rijkelijk zijn, ook dat is een zalige vrucht van het benaarstigen des geloofs.

Een nauw leven, geeft een ruim sterven, niet uit enige verdienstelijkheid, doch zie het bij Henoch, Elia, Paulus en al de geroepenen, welke in afhankelijkheid en ootmoed voorzichtelijk hebben gewandeld op het pad der vreemdelingen hier beneden. En hun hoogste goed hebben beleden, gelijk Asaf: Wien heb ik nevens U in de hemel? Nevens U lust mij ook niets op cle aarde. Zij hebben bij het breken hunner ogen, bij de ingang van het dal der schaduwen des doods met hart en mond mogen zingen:

Maar 't blij vooruitzicht dal mij streelt, Ik zal ontwaakt, Uw lof ontvouioen, U in gerechtigheid aanschouwen, Verzadigd met Uw Godd'lijk beeld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1960

Daniel | 8 Pagina's

De heilrijke vruchten  van geloofsbenaarstiging

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 november 1960

Daniel | 8 Pagina's