Gij hebt dat Mij gedaan
De grote levenswet, die de Heere aan de mensenkinderen heeft gegeven, is: God lief te hebben boven alles en onze naasten als onszelf. Die wet blijft ten allen tijde geldig: het is een eeuwigdurende wet. Het is tot onze grote schande en onze grote schuld, dat wij die wet niet kunnen houden: wij zoeken onze eer inplaats van de eer van Hem, Wien alle eer alleen toekomt. Dat niet-kunnen en niet-willen ontslaat ons echter niet van die eis Gods. Wij moeten leven alsof wij alles zouden kunnen volbrengen wat van ons wordt geëist. Het hoofd dus niet in de schoot leggen en zeggen: „Het kan nu eenmaal toch niet, " maar jagen om het grote doel te mogen bereiken, zó te handelen, alsof het te bereiken was.
Als wij deze eis recht bezien, dan kan het niet anders, of we moeten ons met al wat in ons is, schikken om Gods eer te bedoelen en het welzijn van onze naasten te bevorderen.
Van dit standpunt uit bezien, moeten we wel aan zending „doen". Dan gaat het niet om een nieuwe aangelegenheid, die zich in onze gemeenten in de laatste tijd voordoet, maar dan gaat het om diepere zaken; dan gaat het vanuit de eis die God aan alle mensen stelt. Dan wordt het een vanzelfsheid te helpen aan de uitbreiding van Gods Koninkrijk en mee te werken aan het welzijn van mensen, die van God en Zijn Gebod niets af weten. Dan moet het al beginnen, met alle gebrek, in onze nabije omgeving en het moet een uitweg gaan zoeken in het eigen land; het moet de grenzen overtrekken tot de verste heidenen, opdat over de ganse aarde Gods eer moge opklimmen uit het stof.
Zó beschouwd, moeten we wel helpen, met alle beschikbare middelen, aan de plannen die uitgestippeld worden: een „kanaal" graven, waardoor het evangelie als een stroom geleid kan worden naar verre oorden. Dan mag het ons niet onverschillig zijn wat er in het werk wordt gesteld, als men weet, dat het gaat om de ere Gods. Het kan immers heel goed zijn, dat mensen, die geboren en opgevoed zijn in het heidendom, onder het zegel van Gods verkiezing liggen en dat in het verschiet voor deze of gene het uur der minne zal moeten aanbreken; het uur, dat God in Zijn onnaspeurlijke raad heeft bepaald.
Wanneer wij daaraan denken, dan moet onwillekeurig in onze gedachten komen, wat de Heere Jezus sprak in Matth. 25: „Want Ik ben hongerig geweest, en gij hebt Mij te eten gegeven; Ik ben dorstig geweest, en gij hebt Mij te drinken gegeven; Ik was een vreemdeling, en gij hebt Mij geherbergd; Ik was naakt, en gij hebt Mij gekleed; Ik ben krank
geweest, en gij hebt Mij bezocht; Ik was in de gevangenis, en gij zijt tot Mij gekomen/'
Deze toespraak wordt door de hoorders niet begrepen en ze vragen, wanneer zij dit alles toch aan Jezus hebben gedaan. En dan luidt het antwoord: „Voor zoveel gij dit een van deze Mijne minste broeders gedaan hebt, zo hebt gij dat Mij gedaan."
De hongerigen en dorstigen in de heidenwereld moeten eten en drinken hebben. De honger en dorst naar de woorden des levens moeten wij helpen stillen en lessen. De vreemdelingen onder de heidenen, vervreemd van het burgerschap van Israël, moeten een herberg bereid worden. Zij dolen in ongebaande wegen en moeten geleid worden op een rechte weg, om te gaan tot een stad ter woning (Ps. 107). De heidenen moeten gekleed worden; ze moeten bezocht worden in hun krankheid, want ze zijn doodziek en het ware geneesmiddel moet toegediend worden. Ze zitten in de gevangenis van on-en bijgeloof. De vorst der duisternis houdt ze gevangen in zijn boze netten, maar de Sterkere moet ingaan en zijn vaten ontroven. Dat alles kan, door het Woord te brengen in de heidenwereld, want het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods.
Wij kunnen niet allen naar het zendingsveld gaan, maar wij mogen (moeten!) medewerkers zijn. En dan wordt er van ons niet veel geëist. Hadden we een bewogen gemoed omtrent het heil van onze naasten, dan zou met blijdschap gegeven worden van de overvloedige giften, die God ons heeft geschonken. Dan gingen we helpen om een beker koud water aan te bieden aan dorstigen; een stuk brood aan hongerigen; een kleed aan de naakten
edaan! N.
Voor de diverse verantwoordingen van „Mbuma-ziekenhuis" en „Landrover" zie laatste pagina.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 9 september 1960
Daniel | 8 Pagina's