Terug naar Pinksteren ?
Wij zijn bezig om met elkaar te spreken over de genezing op het gebed. Men gaat daarbij uit van het standpunt, dat op een gelovig gebed om genezing, de verhoring moet volgen.
Men verdedigt dit standpunt met een beroep op Gods Woord en men brengt daartoe twee argumenten naar voren.
Het eerste argument is, dat de verlossing van Christus de totale mens omvat. Niet alleen de ziel, maar ook het lichaam. Men wijst daarbij op Jes. 53, waar we lezen, dat Hij al onze krankheden gedragen heeft.
Welnu, zo zegt men, als dat zo is, dan moet dat ook blijken. Dan moet ook een gelovige zieke door persoonlijk gebed of door de voorbede van anderen van zijn ziekte worden genezen, want Christus heeft zijn krankheden gedragen. De vorige keer hebben wij deze gedachte reeds getoetst aan Gods Woord, dus daar gaan we nu niet verder op in.
Het tweede argument, dat men naar voren brengt om de gedachte van de genezing op het gebed te ondersteunen is de volgende: Men wijst erop, dat de verlossing van lichamelijke nood ook) telkens openbaar geworden is in de wonderen, die Christus tijdens Zijn omwandeling op aarde deed en die ook in de eerste periode der kerk door de apostelen zijn gedaan. Daarom: moeten die wonderen er dan ook vandaag niet net zo goed zijn? Als ze er in de kerk van vandaag niet meer zijn, zo luidt de konklusie, dan is dat verdronken land, dat weer van onder het water te voorschijn moet worden gebracht.
Ook deze gedachte willen we een ogenblik bezien. De vraag waarvoor wij staan is deze of het wonder, zoals het door de Heere Jezus en door de apostelen en door anderen in de eerste periode van de kerk werd verricht, naar Gods bedoelen alleen voor die tijd bestemd is geweest, óf dat het thuis hoort in heel de geschiedenis der kerk en daarom ook nu nog in de weg van geloof en gebed moet worden gedaan en gezocht. Met andere woorden, zijn de krachten, die door het geloof openbaar werden in de aanvangsgeschiedenis van de kerk tot het genezen van zieken, tijdelijk geschonken of hebben ze blijvende betekenis?
Om hier het antwoord op te vinden moeten we vragen naar de betekenis, die de wonderen van de Heere Jezus en lateivan de apostelen hebben gehad, dus, met welk doel werden ze verricht.
Het antwoord hierop moet zijn, dat het „openbaringswonderen" zijn geweest en dat ze een dienende funktie hadden ten aanzien van de koning van Gods Koninkrijk.
Die genezingswonderen zijn niet willekeurig: verricht om allerlei mensen te helpen in hun ellende, ofschoon Christus met ontferming over de schare bewogen was.
Neen, Christus' wonderen waren tekenen. Een teken wijst altijd ergens heen. Zo wezen Christus' wonderen heen naar het grote heil, dat Hij bracht. Ze hebben Zijn boodschap begeleid en bevestigd. Door die wonderen, die tekenen waren heeft Christus het karakter van Zijn verlossingswerk duidelijk gemaakt en Zijn kracht daartoe bewezen. Als Hij iemand genas, dan was dat een heenwijzing naar Zijn volkomen verlossingswerk.
Zo waren dus Zijn wonderen ondergeschikt aan Zijn prediking en aan de komst van Zijn rijk. Hij deed ze met het oog daarop. Daarom heeft Hij ook niet alle zieken genezen. In Bethesda lagen er velen, maar Christus genas er maar één. Datzelfde karakter droegen óók de wonderen na de Pinksterdag. Ze waren Gods ondertekening, dat de leer der apostelen waar was.
Ze dienden ook hier de komst van het Koninkrijk en waren gericht op de fundering en uitbreiding der kerk.
We hopen dit de volgende keer D.V. nader te bezien.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 13 mei 1960
Daniel | 8 Pagina's