Rondom Calvijn- Begrip en wanbegrip
Uitgave: W. D. Meinema N.V., 267 blz., geb. f 12.50.
Dr. N. J. Hommes: „Misère en grootheid van Calvijn"
Wie verwacht had dat het jaar dat is voorbijgegaan bij de herdenking van Calvijns' geboortedag ons heel veel nieuws zou brengen, die is wel teleurgesteld. Er valt, met name in het buitenland, een enkel werk te noemen dat belangrijk is, maar overweldigend is alles bij elkaar genomen niet. Helaas geldt dit ook voor het boek dat wij hier gaan bespreken. Het wordt wel als een studie aangediend, maar het bevat niets nieuws. Natuurlijk is het hiermee niet veroordeeld: Een samenvatting van wat anderen reeds gaven kan zeer dienstig zijn, vooral voor hen die niet in staat zijn of de tijd hebben alles wat, ook in het buitenland, verschijnt, geregeld door te lezen. Maar aan zo'n samenvatting mag men dan ook eisen stellen. Bezien wij of dit boek hieraan voldoet.
De schrijver wilde niet het leven van Calvijn beschrijven, maar hem tekenen in zijn verdiensten en tekorten. Men kan dit doen door telkens iets belangrijks uit zijn leven te bespreken en dan in volgorde van tijd. Aanvankelijk schijnt dit de opzet van de schrijver ook te zijn geweest. In hoofdstuk één tot vijf ziet men dit schema duidelijk, maar wat dan volgt, van hoofdstuk zes tot tien, kan men toch moeilijk anders noemen dan een willekeurig allegaartje: Calvijn en Luther, 't gevoel voor vriendschap bij Calvijn, 't foutieve van het Roomse beeld en dat der humanisten van Calvijn, ? n psychologisch opstel over hem en dan tenslotte nog een stuk betreffende zijn boezemzonde, n.1. zijn driftigheid. Daarachter komt heel onverwacht een nabetrachting, in het laatste hoofdstuk van het boek. Dit is wèl wonderlijk: Na 1545 hebben wij Calvijns misère en zijn grootheid — een raadsel is waarom misère hier voorop moet gaan — niet meer gevolgd, en dan.. ineens een nabetrachting. We hebben bij het sterfbed van Calvijn niet stilgestaan, waartoe toch reden was. En waar behandelt onze schrijver het geval Servet? Volgens zijn gedachten moet dit toch misère zijn waarop uitvoerig dient gewezen! Maar hij vermeldt het maar terloops. Kortom: het is de schrijver niet gelukt een eenheid van dit boek te maken. De kompositie is dé zwakke zijde van dit werk! Hoofdstuk één, om daarmee te beginnen, is een mooi en overtuigend beeld van de omgeving waar Calvijn in leefde in zijn jeugd. Natuurlijk is het van belang te weten dat Calvijn zich later nog herinnerde hoe hij als kind naar de abdij van Ourscamp ging om een bepaalde relikwie te kussen. Maar heeft het zin om daarom alles wat men over die abdij te weten kwam uitvoerig weer te geven? En dat terwijl Calvijn — waar het om gaat — die feiten zelf niet eens geweten heeft? Hoofdstuk negen brengt de lezer wel het toppunt van verbazing: Hier wordt een studie van een ander zonder meer van a tot z vertaald! Met het gevolg dat men hier allerlei wat men al eerder in het boek gehoord heeft, nog eens opgeschoteld krijgt. Uit kompositieoogpunt is dit een onzinnigheid! Hetzelfde geldt voor hoofdstuk elf! En dan, wat wordt er in de eigen tekst al niet herhaald. Tot in 't vervelende wordt er verteld dat Cristiani heeft geschreven over „Calvin, tel qu'il fut" en dat niemand minder als de schrijver Rops daarbij een „voorwoord" schreef. Tegen 't einde van zijn boek komt onze schrijver hieimee nogeens aan en doet of hij iets nieuws vertelt! Men vraagt zich af: Hoe is dit boek ontstaan?
Gelukkig zijn er ook wel goede stukken in dit werk. Bijvoorbeeld hoofdstuk twee, waarin de eerste publikatie van Calvijn besproken wordt. Over deze publikatie van een tekst van Seneca is onlangs een uitstekend proefschrift van een Afrikaan verschenen, waarvan de resultaten hier op aangename wijze worden saamgevat. Dit hoofdstuk moet een ieder lezen die de dissertatie van Hugo te machtig vindt! Een ander voorbeeld van een stuk met zekere verdiensten is het achtste hoofdstuk, waarin het onhistorische en het gemene van het beeld dat de beroemde schrijver Stefan Zweig van onze reformator heeft ontworpen aan de kaak gesteld wordt. Hier zet de schrijver veel van wat beweerd werd recht, dat wil hier zeggen: in een juist historisch licht. Men leest dit met genoegen. Alleen: het is onredelijk van omvang, dit stuk, in het geheel van 't boek. Alwéér: de kompositie!
Uitvoerig willen wij nu ingaan op het vijfde hoofdstuk. Een goed geschreven hoofdstuk, maar waarin de schrijver wetenschappelijk gesproken 't meest tekortschiet. Hij werpt hier namelijk een vraagstuk op dat niet bestaat. Een jaar of wat geleden is er in het Duits een boek verschenen over wat Calvijn gedaan heeft bij een toen niet ongewoon proces, om hekserij te weren, in 1545. Schrijver hecht aan deze studie overdreven waarde. Wij zijn, met anderen, van mening dat dit boek van Pfister enkel van belang is om de publikatie van de stukken van 't proces. Men had dan in Peney, 'n dorpje in de omtrek van Genève, mensen opgespoord die men verdacht van toveren. Tijdens het proces hierover heeft Calvijn, geholpen door Bernard, de plaatselijke predikant, er bij de overheid op aangedrongen niet te week te zijn, daar dit soort mensen diende uitgeroeid te worden. Terecht verklaart de schrijver dit vanuit het teokratisch ideaal dat de hervormer steeds voor ogen stond. Hij wijst dit echter af: Een regelrecht op Bijbelse gegevens gefundeerde samenleving acht hij te verwerpen, zegt hij elders. Wel hadden we dan graag ook iets vernomen van de redenen. Maar schrijver werkt wel vaker zo. Hij zegt dan dat hij dit of dat bestrijden moet, maar niet op welke gronden. Zo zegt hij, blz. 181, dat de strenge zeden van Genève óns, met ons modern gevoel voor tolerantie en voor vrijheid van geweten én van godsdienst, meer dan eens verbijsteren. We moeten eerlijk zeggen dat dit zogenaamde rigorisme ons nog nooit verbijsterd, maar dat het ons ten allen tijde aangetrokken heeft. En bovendien: spreekt het vanzelf dat wat 't moderne leven zegt, ook goed is? Waar is de norm? Schriftuurlijk wordt er door de schrijver niets bewezen! Intussen geeft hij toe dat wij, de S.G.P.-ers, in dezen dichter bij Calvijn staan dan hijzelf. En
omdat schrijver nu Calvijn hierin niet volgen kan, veronderstelt hij invloed van Bernard, ja spreekt zelfs van het raadselachtige van deze invloed. We geven toe dat deze medewerker van Calvijn geen man was om doorlopend op te roemen. Maar hier, in déze kwestie, moet Calvijn zijn ijver als iets prijzenswaardigs hebben aangemerkt. Daar is niets raadselachtigs in! Hoe de schrijver 't echter wendt of keert, voor hem blijft dit een zwarte bladzij in het leven van Calvijn. Omdat, zo zeggen wij, 't beginsel van de vrijheid, naar moderne maatstaf, voor hem de beslissing geeft van goed of kwaad. Wij kunnen daarin zeer bepaald niet met hem mee! De schrijver is intussen aan zijn onderwerp verplicht zich op het standpunt van zijn mensen te verplaatsen. Maar dit kan hij blijkbaar niet. Wat toch is 't geval? Hij sloeg nieuwsgierig de verklaring van Calvijn op Handelingen na. En hierin sprak Calvijn zijns inziens anders. Schrijver acht die kommentaar zelfs een veroordeling, en wel vernietigend, van wat Calvijn een enkel jaar daarvoor nog had gewild. Merkwaardig blijft dan wel, de schrijver zegt het zelf, dat van berouw in dezen bij Calvijn geen spoor te vinden is, ook op zijn sterfbed niet. Dit had de schrijver toch voorzichtig moeten maken in zijn oordeel. Inkonsekwenties van een dergelijk formaat zijn bij Calvijn niet erg aannemelijk! De zaak is veel eenvoudiger dan schrijver het zich voorstelt. Wanneer de overheid haar taak volbrengt, dan moet zij dat naar vaste normen doen, waarbij Gods Woord de maatstaf is, aldus Calvijn en wij. Een gruwel voor Gods aangezicht dient zij dus weg te nemen. Vandaar Calvijns bemoeienis met het proces. Hij heeft dit ongetwijfeld tot zijn dood toe als iets juists gezien. En die verklaring op de Handelingen dan? Wel, die heeft schrijver doodeenvoudig niet begrepen! Want daarin staat beslist geen wóórd dat het zich mengen in 't proces veroordeelt. Calvijn zegt dat het duidelijk te zien is dat men daar, in Handelingen
acht, Simon de Tovenaar behouden wil, en niet verderven. Petrus zegt de dingen wel heel scherp, maar dat is om hem het afgrijselijke van zijn daden te doen zien. Want, zegt Calvijn, wij moeten weliswaar tegen de slechte daden van de mensen toornen, maar zó, dat we de mensen zelf met medelijden tegemoet gaan. Terecht. Maar heft dit nu de taak der overheden op? Petrus en Calvijn staan hier als mens en zieleherder. De situatie is volkomen anders dan bij het pro ces. Daar ging het om de overheid! Een overheidspersoon, een rechter, kan als méns wel medelijden hebben met wie schuldig is, maar moet hij om dit menselijk gevoel dan vrij gaan spreken wie toch schuldig is? De dwaasheid waarop deze redenering uitloopt, is wel duidelijk. En dus is er van een probleem in dezen bij Calvijn geen sprake. Als mens, als zieleherder had hij medelijden met wie tot misdadigheid vervallen was. Maar niettemin was hij van oordeel dat de overheid haar plicht moest doen. Vandaar dat hij zijn aansporing tot recht doen in 't geval van het proces nooit heeft betreurd en daarop ook niet is teruggekomen in zijn kommentaar op Handelingen acht. Wij konstateren hier bij onze schrijver wanbegrip!
Minder erg, maar toch niet goed te keuren, is 't gebrek aan kennis waarvan schrijver in zijn groot betoog om Stefan Zweig te straffen blijk geeft. Hij gaat daarbij uitvoerig in op de portretten van Calvijn. Dat Zweig de twee portretten die Professor Weerda pas in 1955 uitgegeven heeft, niet kende, kan men hem niet kwalijk nemen. Maar hij had toch, zegt onze schrijver, 't schilderij uit Hanau kunnen bestuderen? Dat Zweig dat niét gedaan heeft, neemt de schrijver hem terdege kwalijk. Ook hier is men geneigd te zeggen: Weet U wat U zegt? Want schrijver heeft zijn kennis van die eerstgenoemde twee portretten uit de tweede hand. Het boek dat Weerda in 't genoemde jaar heeft uitgegeven — „Holbein und Calvin, " terwijl de ondertitel luidt: „Ein Bildfund" — wordt door hem nergens opgegeven en gelezen heeft hij 't zeker niet. Dan zou hij namelijk geweten hebben dat het, ondanks de traditie, volgens de deskundigen beslist niet zeker is dat het portret uit Hanau onze reformator voorstelt!
We zijn hiermee al aan ons laatste punt betreffende de inhoud van dit boek: de lijst Calvijn-literatuur. Die lijst is zeer gebrekkig. Men mist er niet alleen het boek van Weerda in. Ook wordt er meer dan eens verwezen naar een druk die al verouderd is. Een enkel voorbeeld als bewijs: Schrijver geeft W. Niesel: „Die Theologie Calvins", München, 1938. Maar hiervan is terzelfder plaatse een verbeterde, dus tweede druk verschenen en wel in 1957. Met opgaaf daarvan zou de lezer ongetwijfeld meer gebaat zijn. Nu is dit boek van Niesel een verdienstelijke studie, maar die toch wel heel veel gedachten van Karl Barth wil binnensmokkelen in wat Calvijn geleerd heeft. Een studie van belang waarin hierop verhelderend gewezen wordt, is E. A. Dowey: „The Knowledge of God in Calvin's Theology", New York, 1952. Schrijver noemt dit boek niet eens. Trouwens, de werken in het Engels zijn bij hem maar slecht vertegenwoordigd. Bekende boeken, als van Parker en van Wallace, zijn hem blijkbaar onbekend: Van Günter Gloede geeft de schrijver „Zucht und Weite", Giessen, Basel, 1938. Maar ook hiervan hebben we een uitgebreide en aanmerkelijke verbeterde editie liever: „Calvin Weg und Werk", Leipzig, 1952. Van Kolfhaus — niet: Kolffaus — werden twee bekende boeken in het lijstje opgenomen; niét zijn laatste, meest uitvoerige en tevens beste werk: „Vom Christlichen heben nach Johannes Calvin", Neukirchen (1949). Het proefschrift van Professor v. d. Linde: „De heer van den Heiligen Geest bij Calvijn", Wageningen, 1943, nam de schrijver — en terecht — wél in zijn lijstje op, maar niet het beter opgezette, zeer belangrijke „Das Wirken des Heiligen Geistes nach Calvin" van Krusche, Göttingen, 1957. En zo zou er nog meer te noemen zijn. Schrijver nam dus op wat hem toevallig eens in handen kwam. Van zelfs ook maar een zweem van wetenschappelijke nauwgezetheid is in deze lijst geen spoor. De lezer die hier zelf niet op en top ter zake kundig is, wordt door zo'n overzichtje werkelijk niet op de goede weg gebracht.
Tenslotte nog het een en ander over 't uiterlijk verzorgen van dit boek. We hebben voor de firma die het uitgaf niets dan lof: Het is uitstekend uitgevoerd, niet slecht gebonden en gestoken in een omslag dat om zijn eenvoudigheid bekoorlijk is. Bij de korrektie werd de schrijver door zijn zoon geholpen. Het spijt ons dat die twee doctoren bij het nazien van de proeven niet wat meer precies geweest zijn: Het boek is meer dan men fatsoenlijk noemen kan door drukfouten ontsierd. Niet dat die alle even hinderlijk voor het begrijpen zijn. Al lezende verbetert men komieke fouten als, op blz. 12, „de eerste wereldoorlog (1914—1948)." Vervelender is het vergeten van een komma waar die voor het lezen nodig is, b.v. blz. 25 regel 8 na „Seneca". In een citaat op blz. 37 regel 9 onderaan staat „argumenten", waar „argumenteren" hoort te staan. Blz. 43 regel 6 en 7 onderaan: „We zullen niet ver uit de koers zijn, wanneer we", dient te worden aangevuld met: „aannemen dat we", wat blijkbaar uitgevallen is. Blz. 118 noemt twee keer de kerkhistoricus Professor „Blanka", terwijl ieder die zich weieens in kerkgeschiedenis verdiept heeft, weet dat dit Professor Blanke is. En ook hier weer moet men zeggen: Helaas, zo is er meer'. Het zou te gek zijn alle plaatsen hier te noemen; we geven daarom enkel nog het lelijkste geval van slordigheid aan 't eind van deze droge lijst. Noot 1 op blz. 225 roemt een studie om haar „helderheid, en vooringenomenheid en wetenschappelijk hanteren" enz. Het spreekt vanzelf dat men moet lezen: „helderheid, onvooringenomenheid en wetenschappelijk hanteren".
Schrijvers Nederlands is ook niet feilloos. „De sieraad", blz. 40, noot 3, is geen goed Nederlands. Ook „van rooms-katholieke huize", blz. 53, regel 17, zegt en schrijft men niet, evenmin als blz. 89/90 „uit welke slecht hout gesneden". Wonderlijk inkonsekwent is ook „koning Louis VI te Gros" op blz. 19.
Dit boek werd ook geïllustreerd. We vinden afgebeeld Calvijns „geboortehuis", „'t vertrek waarin Calvijn geboren is" en de ruïnes van 't restant van de abdij van Ourscamp. Wanneer men echter weet dat het „geboortehuis" en „het vertrek waarin Calvijn geboren is" maar namaak zijn — wat schrijver in gebreke bleef hier te vermelden'. — en dat Calvijn een beeld als dit van de abdij van Ourscamp nooit gezien heeft, kan men met deze illustraties moeilijk meer gelukkig zijn.
Al met al: Een boek waaruit men heel wat leren kan wanneer men zich nog nooit in t leven van Calvijn verdiept heeft. Maar ook een boek dat hier en daar tekorten én aan kennis én — wat erger is — aan inzicht toont. Een boek, uiteindelijk, dat bij wat minder slordigheid van kompositie en korrektie zeker heel veel zou gewonnen hebben. De schrijver heeft het werkelijk te bont gemaakt. Maar wij bevelen niettemin de lezing van het tweede en het achtste hoofdstuk — nogmaals — aan!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 29 april 1960
Daniel | 8 Pagina's