Ter elfder ure
De bekeerde moorder (Heiman Dullaert)
In de meeste bundels lijdenspredikaties komt ook een preek voor over de bekeerde moordenaar. Zijdelings staat deze geschiedenis tot het lijden van Jezus. De stervende Jezus moet in het centrum staan op de Hoofdschedelplaats; de andere personen zijn nevenfiguren. Toch kunnen we begrijpen, dat de boetvaardige kruiseling in de lijdensweken een beurt krijgt. Zo is het ook gegaan bij de dichters. De figuur van de man, die ter elfder ure tot inkeer kwam, trekt de aandacht.
De veelzijdig begaafde Heiman Dullaert heeft een sonnet geschreven over „De bekeerde moorder".
Nu is het jammer, dat velen afschrikken van de spelling uit de 17de eeuw, en dan maar niet verder lezen. Voorts gebeurt het dat een oud woord, dat zelden meer wordt gebruikt, van verder lezen af doet zien. Men wil zich niet inspannen en nog eens lezen om achter het „geheim" te komen. We moeten ook rekening houden met het feit, dat Dullaert driehonderd jaren geleden schreef. Hij leefde van 1636—1684, dus heeft hij de vijftig niet gehaald. Hij had een zwakke gezondheid en er wordt wel gedacht, dat hij zijn dood lang tevoren heeft zien aankomen.
Dullaert begint aldus:
Die langs het aardrijk zwierf om op wat buit te passen, Wiens flukse wakkerheid de reizenden verried, Heeft hier, dus vastgekneld, de volheid zelf bespiedt, En komt het hemelrijk tot roofgoed te verrassen.
Zijn deze regels nu zo moeilijk te verstaan? Het woord „passen" betekent zoveel als „loeren"; het woord „dus" gebruiken wij nu als we willen zeggen „op zo'n manier".
De dichter zegt dan: Reizigers werden beloerd om beroofd te worden van de meegevoerde goederen, maar degene die dit deed, is nu gehecht aan het kruis en ziet nu, niet een
gedeelte, maar de volheid zelf, de volheid die in Christus is: het paradijs, het hemelrijk.
Merken we de vele tegenstellingen? De moordenaar zwierf langs het aardrijk en hij hangt nu vast en bekomt het hemelrijk; het ging om „wat buit" en het wordt een volheid.
Nu gaat de dichter verder:
Die diep in eenzaamheid de hand wies in de plassen Van een verdoemend bloed, wordt hier, waar 't ieder ziet, In 't zaligende bloed, dat Jezus vast vergiet, Aan hand, aan lijf, aan ziel, van bloedschuld afgewassen.
Hier ook weer cle tegenstellingen: In eenzaamheid moordde hij en daardoor bracht hij de doem over zich: „van een verdoemend bloed"; op een plaats waar iedereen hem ziet wordt hij afgewassen in het zaligende bloed, naar lichaam en ziel rein verklaard.
Het woordje „vast" betekent hier: voortdurend, de tijd van Zijn kruisiging. Let zelfs eens op meerdere tegenstellingen. We zullen dan zien, dat Dullaert in weinige woorden heel veel vermag te zeggen.
Hij, in zijn moordersscliap aan schaduwen verplicht, Wordt in 't geloof bedaagd van een genadelicht, Terwijl zijn kwijnend oog 't natuurlijk licht gaat derven.
Hier behoeft wel enige toelichting. De moordenaar was onderworpen aan de machten der duisternis: aan schaduwen verplicht. En zie weer de grote tegenstelling: hij wordt bestraald door het genadelicht. Hij moordde in het duister en nu gaat de nieuwe dag over hem op en dat op een moment, dat zijn natuurlijk oog gaat breken. Het wordt steeds donkerder voor hem op het natuurlijk gebied, maar helderder op het geestelijke.
In de laatste terzine van het sonnet gaat de dichter met zijn tegenstellingen voort:
De Kruisnacht, door het recht de booswicht aangezeid, Wordt de boetvaardige een dag van zaligheid; Die dood was toen hij leefde, o! leeft hier in zijn sterven.
De terechtstelling op het kruishout wordt een nacht genoemd; door het gerecht is hij daar gekomen. Maar nu wordt de moordenaar een boetvaardige en daardoor breekt voor hem een dag van zaligheid aan. Zien we hier weer heel duidelijk: kruisnacht hoort bij booswicht; boetvaardige hoort bij dag van zaligheid. De laatste regel is een en al tegenstelling: toen de moordenaar leefde was hij dood: dood in zonden en misdaden; nu gaat hij sterven begint hij te leven: zijn lichaam sterft, maar zijn ziel ontvangt het eeuwige leven in het Paradijs dat Boven is.
De dichter was ook leerling van Rembrandt. Zou hij bij die grote knstenaar, die op zijn doeken zo werkte met licht en donker, die tegenstellingen hebben geleerd? Het is niet uitgesloten. Rembrandt maakte zijn achtergronden donker, opdat hetgeen hij op de voorgrond plaatsen wilde, des te beter in het licht zou staan. Hij kende de werking van de contrasten. Zijn leerling Dullaert probeert het met de taal.
Lees nu het hele gedicht nog eens langzaam over. Dan pas zullen we bemerken wat Dullaert te zeggen heeft en hoe schoon het genadewerk van Christus tegen cle achtergrond van de duisternis des te schoner gaat schijnen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 april 1960
Daniel | 8 Pagina's