Jezus' lijden
Toen zagen wij de zoete vruchten Van al ons kermen, al ons zuchten In 't Kruise zelf ons toegericht. (Van Lodensteyn)
Het kan niet anders of dichterlijk-aangelegde mensen moeten wel zingen van het lijden van de Heere Jezus. Misschien is het woord „zingen" bij de meesten niet goed gekozen. Door zingen verstaan we het uitzeggen van gevoelens in dichterlijke taal, hetzij klagend hetzij jubelend. Er wordt een taal gebruikt, of liever: de taal wordt gebruikt om de inwendige beroeringen te vertolken op een wijze, die aanspreekt; op een manier, die we in het dagelijks gesprek niet gebruiken.
Zou Van Lodensteyn, de gevoelige natuur en de diepe denker, achterblijven? Voor zovele voorvallen, die hem niet los lieten, greep hij naar de pen. Zo ontstonden „uitspanningen", die voor hem „ontspanningen" waren.
Hij heeft grote waarde mogen zien in Jezus aan het kruis; in de naakte Jezus, Die ontkleed werd om Zijn volk te kleden met de klederen des heils.
DE NAAKTE JEZUS.
Vermogend goud, dat om uw glans geprezen, uw dienaars kluistert, en had mij wel eer gevangen, mij zal na deez' tijd veel meer de naakte Jezus wezen.
Er zijn lezers, die dit al niet snappen, omdat ze de moeite niet doen om goed te lezen. Lees het nog een keer en nog eens; dan wordt de rechte zin verstaan. Van Lodensteyn noemt het goud vermogend, omdat men met goud veel kan doen. We spreken van iemand, die geld heeft, als van een vermogend mens. De dienaars van het goud, zij die alles zullen doen om goud te verkrijgen, worden door het geld gekluisterd. Ook de dichter was er vroeger door gevangen: Van Lodensteyn was ook een „vermogend" man. Maar nu is de glans van het goud verdonkerd, omdat hij de naakte Jezus heeft gezien.
Nadat ik die had in mijn oog gekregen, straks was de amethist bezwalkt, en 't zonk al wat te voren preuts en prachtig blonk, voor 's naakten Jezus' zegen.
Zo gauw de dichter die (dat is de naakte Jezus) gezien had, was de glans van de amethist, een violet-kleurig edelgesteente, verminderd; alles wat zo schitterde moet ondergaan voor de schoonheid van de zegen, die van het kruis komt.
'k Laat hem, die 't lust, naar grote schatten delven, ik wens geen scepter noch geen groot gebaar van macht, geen prachtig kleed van Jezus, maar de naakte Jezus zeiven.
Het gaat bij de dichter niet om grote schatten, om macht of om een mooi kleed, maar de naakte Jezus zelf is zijn grote schat.
Wat mocht gij, Babel, dus uw heil vermindren, en kiest en kust een doek, een lomp, een staf,
clie Jezus aan die schelmen schonk, en gaf Zichzelven naakt Zijn kindren.
Met Babel bedoelt Van Lodensteyn de roomse kerk, die troost poogt te geven door relikwieën: een stukje van Jezus' kleed, een stuk van de rietstok, een spijker uit het kruis, en meerdere van die dingen, die geen waarde hebben, maar clie door de dwaze mensen worden gekust en als heilige kleinodiën worden vereerd.
De slotzin is, dat Jezus Zich naakt heeft gegeven aan Zijn kinderen.
Over Jezus dorst schrijft van Lodensteyn:
Wat derelijker klagen is dat? Ik heb mijn dagen (wat elders ooit geviel) niet desgelijks gehoord.
Ei, luister toe, mijn ziel! Die eens schiep al de beken, die springen uit doet breken, schreeuwt uit een droge borst: Ach, ach, ik brand, ik brand! Mij dorst, helaas, Mij dorst!
De dichter heeft over de dorst van Jezus wel 21 coupletten, die we hier niet kunnen afschrijven. Enkele mogen dan volgen:
Want ziet, ik had maar even MSjn ziel ten borg gegeven voor zondaars, en het vier, den zonden toegedoemd, was dadelijk tot hier. De vlammen van de helle zijn 't die mijn ziele kwellen, dies staat mijn dorre borst en brandt, ach, ach, en brandt; Mij dorst, helaas, Mij dorst!
De slotcoupletten trachten cle lezers raad te geven en de weg te wijzen naar het ware Goed.
Maar bovenal in vrezen wacht u mijn ziel, na dezen, dat nooit uw dorstig' aard naar boze lust en dorst, met vuile lusten paart. Dorst naar die zuivre beken, die uit Zijn wonden leken, die hier van dorst versmacht: Zijn dorst u lessen zal, Zijn flauwte geeft u kracht. En zo dan nog u 't harte naar kwaad dorst, laat in smarte (als deez') de oude mens verstikken in zijn dorst, versmachten in zijn wens.
INDEX
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1960
Daniel | 8 Pagina's