Gods beeld verloren
(II)
DE VIJANDEN GODS (13)
De geestelijke verdorvenheid van de mens komt ook openbaar in zijn gemis aan ware gerechtigheid en heiligheid. Ook deze twee behoorden tot het beeld Gods en zijn door de mens verloren.
Wat is er aan recht en gerechtigheid in de mens overgebleven? Hij durft zelfs zijn Maker van onrecht te betichten en zichzelf in eigen ogen te rechtvaardigen. Gods werken acht hij krom en fout te zijn, maar wat hijzelf tot stand brengt, schijnt hem recht toe.
Dit is reeds zo in de zaken, die het aardse leven betreffen, maar nog veel meer in de dingen van het koninkrijk Gods. Wat al uitvluchten heeft de mens gezocht om zich tegenover het heilige Wezen te kunnen handhaven! Hij, de zondige mens, meent het recht aan zijn zijde te hebben en waant dat het onrecht aan de zijde Gods is. De duivel voedt hem in die gedachte, en zijn eigen verdorven natuur wil daar wel aan.
De mens kan het in eigen kracht een heel eind brengen, maar één ding kan hij nooit, n.1. God g e 1 ij k geven. En omdat hij dit ene. niet kan, kan hij niets. Want al wat hij doet, is dan verkeerd, omdat zijn uitgangspunt verkeerd is.
Met de heiligheid staat het even zo. Zichzelf als een zondaar te erkennen, en God als de alleen Heilige, daartoe kan hij nimmer komen. Hij mag dan al niet ontkennen, dat er wel enkele gebreken aan hem kleven, maar in de grond van zijn wezen, acht hij zichzelf goed te zijn. Dat zijn hart een vuile bron van allerlei wanbedrijven is, werpt hij verre van zich. Er zijn er wel slechter dan hij. Zijn gedragingen in het leven, tegenover God en mensen, kunnen best de toets doorstaan. Hij is werkelijk zo kwaad nog niet, in eigen oog. En meent nu niet, dat dit gevoelen alleen bij de „wereld" wordt aangetroffen, o neen! juist de godsdienstige menigte is in eigengerechtigheid en gewaande heiligheid zover gevorderd, dat het onder de schijn van vroomheid het meest goddeloos tegenover de Heilige en Rechtvaardige staat. De rijke jongeling, die uitriep: „Al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jeugd af aan. Wat ontbreekt mij nog? " leeft nog. En hij heeft een zeer uitgebreide familie onder de godsdienstige mensen. Dat weet het best hij of zij, die van deze zelfgewaande hoogheid door de Geest des Heeren is nedergeworpen, en instemmen mag met het bekende lied van R. M. M.'CHEYNE, dat elk aan zichzelf ontdekte uit het hart gegrepen is:
Eens was ik een vreemd'ling voor God en mijn hart; Ik kende geen schuld en gevoelde geen smart; Ik vroeg niet: „Mijn ziele, doorziet gij uw lot?
Hoe zult gij rechtvaardig verschijnen voor God? "
Al sprak daar een stem uit de Heilige Blaan Van 't Lam met de zonden der wereld belaan, — Ik zocht bij de kruispaal geen veilige wijk: 'k Stond blind, en van verre, in mijzelven zo rijk.
Ik deed als Jeruzalems dochters weleer; Ik weende om de pijn van mijn lijdende Heer', En dacht er niet aan, dat ik zelf door mijn schuld Zijn kroon had gevlochten, Zijn beker gevuld.
Maar toen mij Gods Geest aan mijzelf had ontdekt, Toen werd in mijn ziele de vreze gewekt, Toen voelde ik wat eisen Gods heiligheid deed; Daar werd al mijn jeugd een wegwerpelijk kleed!
Toen vluchtte ik tot Jezus! Hij heeft mij gered; Hij heeft mij verlost van het vonnis der wet; Mijn heil en mijn vrede en mijn leven werd Hij: Ik boog me, en geloofde, en — mijn God sprak mij vrij.
Nu ken ik die waarheid, zo diep als gewis, Dat Christus alleen mijn gerechtigheid is: Nu tart ik de dood, nu verwin ik het graf, Nu neemt mij geen Satan de zegekroon af!
Nu reis ik getroost onder 't heiligend kruis Naar 't erfgoed daarboven, in 't Vaderlijk Huis, Mijn Jezus geleidt mij door de aardse woestijn, „Gestorven voor mij!" zal mijn zwanelied zijn!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 1 april 1960
Daniel | 8 Pagina's