Advenismorgen
En Hij zal zijn gelijk het licht des morgens, wanneer de zon opgaat, des morgens, zonder wolken. (2 Sam. 23 : 4a)
David, de gezalfde knecht des Heeren spreekt gelijk als Jacob op zijn sterfbed zijn laatste woorden. Ook hier geldt het in geestelijk opzicht, de beste wijn voor het laatst bewaard.
Hij spreekt door de Geest des Heeren van de beloofde Messias, Davids Zoon en toch Davids Heere. Door 's Heeren Geest geeft zijn hart een goede rede op, zijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers, om te spreken van Sions gezalfde koning. Ook in deze tekst geldt het: „Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen: genade is uitgestort op uw lippen. Zijn komst en heerlijkheid ons opgericht in het huis Davids, Zijn knecht? Ja hetwelk in de Heilige Schrift ook betreffende Christus' komst en werk veel gebruikt wordt.
Heeft Jesaja niet gesproken tot het volkdat in duisternis wandelt, dat een groot licht zou zien; en zong Zacharias in zijn lofzang niet van een hoorn der zaligheid ons opgericht in het huis Davids, Zijn knecht? Ja Gods Woord is rijk aan treffende beeldspraak, ook hier; en Hij zal zijn gelijk het licht des morgens, een Oosterse morgen dus, onderscheiden van een Westerse, daarin dat de dagvorstin als een bruidegom uitgaande uit zijn slaapkamer, snellijk opgaat. Tussen de nachtelijke duisternis en de morgenzonnestralen is slechts een zeer korte schemertijd.
Majestueus verheft de zon zich, overstromende de aarde met haar gouden lichtglans, niet weerhouden door wolken van nevelen.
O, treffende beeldspraak van David, door 's Heeren Geest, van Hem die de ware en enige Zonne der Gerechtigheid is, allereerst; in zijn heerlijke en zekere opgang, want Hij zal zijn gelijk het licht des morgens. Gods onwankelbare trouw in de vervulling van Zijn Woord was, is en blijft de sterkte van Gods kerk op aarde, een volk dat in de nachtelijke duisternis van zonde, schuld, strijd en verberging, geen andere geloofsverwachting koestert dan het zuchtend uitzien naar de morgen der toegezegde verlossing, hun holle ziel schreeuwt bij tijden gelijk een hert naar de waterstromen, alzo hun hart naar de vervulling van „Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt." Naar de Goddelijke boodschap dat U heden is geboren de Zaligmaker, welke is Christus de Heere in de stad Davids.
Hoe onwederstandelijk is Zijn opgang, wie is bij machte de zon in haar opgang te stuiten of te belemmeren? Immers niemand? Zij heeft haar zwaai en spoor, de ganse Hemel door, niets kan haar gloed ontwijken. Alzo ook het in de moederbelofte geschonken vrouwenzaad, hetwelk is Christus.
Al het pogen der hellemachten om de opgang van de Zonne der Gerechtigheid te beletten hebben gefaald. Het klinkt als een triumf uit de mond van Johannes: „En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als de eniggeborene van de Vader vol van genade en waarheid.
Wie van al de getrokkenen uit de duisternis was bij machte dat goddelijk licht te keren? Zie het slechts in de waarachtige bekering van Saulus van Tarsen, welke schreef in zijn tweede brief aan de gemeente van Corinthe. Want God die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zou schijnen, is degene die in onze harten geschreven heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. 2 Cor. 4:6.
Hij benoemde zichzelf het Licht der wereld en Hij zendt Zijn gezanten uit om van het Licht te getuigen in het midden van een krom en verdraaid geslacht, waar wij allen van nature toe behoren, mensenkinderen die dat Licht haten, ja de duisternis der zonde en de eigengerechtigheid liever hebben dan het licht. Ja verduisterd in het verstand vervreemd van het leven Gods door de onwetendheid die in ons is.
Hoe noodzakelijk toch dat zulk een morgen voor ons aanbreekt en vooral mijn
jonge vrienden, welke wekelijks samenleven om Gods Woord te onderzoeken, bedenk toch wat het Licht der wereld gezegd heeft tot degenen welke de schriften onderzoeken: „die zijn het die van Mij getuigen."
Het licht der rede en der beschouwing wat in ons is, is duisternis. Onze belijdenis zegt ons: Overmits al het licht dat in ons is, in duisternis veranderd was, gelijk de Schrift ons leert, zeggende: Het licht schijnt in dc duisternis, en de duisternis heeft het niet begrepen, alwaar de heilige Johannes cle mensen duisternis noemt. Daarom verwerpen wij al wat hier tegen leert van de vrije wil des mensen, aangezien de mens niet dan een slaaf cler zonde is, en niets kan hebben, tenzij het hem gegeven zij uit cle Hemel art. 34.
Doch dat neemt onze verantwoordelijkheid niet weg, integendeel, door 's Makers hand zijn wij naar Zijn beeld geschapen. Wij hebben onszelf in duisternis gebracht en daarenboven schonk cle Heere ons het hoge voorrecht te leven onder de verkondiging van het licht van het evangelie; het welmenend aanbod van genade, hetwelk al onze voorwendselen ontneemt.
O, vreselijk als wij door eigen schuld onder het licht van deze Zon verharden. Nee, verharding vindt zijn oorzaak niet in de Zon, doch in het voorwerp dat beschenen wordt. Dat onze bede zij: „Verhef Gij over ons het Licht Uws Aanschijns, o Heere.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 11 december 1959
Daniel | 8 Pagina's