31 oktober 1959
i.
Wij zijn voor 't noodweer in de cel gevlucht en leven verder binnen kloosterwanden; wij laten al wat buiten is verzanden en wennen aan de muffe kille lucht.
Al maakt het woelig leven veel gerucht, al is er grote gisting in de landen, wij blijven eng besloten in de banden en zijn voor eigen leven slechts beducht.
„Memento-mori" wordt gestaag gezucht, wanneer w' elkander langsgaan in de gangen, 't eentonig leven wordt door niets vervangen.
Pilatustrappen zijn wij weer ontvlucht, zij konden d' onrust binnen niet verbannen . . . Wij zullen kaf zijn wanneer God gaat wannen.
II.
Maar als Zijn licht in 't donker hart gaan branden, dan vallen met gedruis de keet'nen neer, dan hebben wij weer wapens voor verweer, dan grijpen wij de hamer in de handen.
Dan brengen ivij de Boodschap in de landen, dan volgt alom de grote ommekeer, de overwinning van de ware Leer, en binden hecht en blijvend broederbanden.
O Geest des Heeren, waai Uw noordenwind om al het menselijke weg te werkei\ de dwaze dwaling van de vele kerken.
Leer ons geloven in het enig Kind, en laat Uw zuidenwind ons hart versterken: dan zien wij weer en zijn niet langer blitid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1959
Daniel | 8 Pagina's