SCHULD EN STRAF
De vijanden Gods (10)
Als het recht Gods gaat spreken — zo besloten we ons vorig artikel — dan gaat het over de verhouding tussen de Rechter en de beklaagde.
De mens behoort niet zichzelf toe, maar aan een ander. En daarom kan die mens niet zijn, die hij wil; en doen, wat hij wil; maar het is door die Ander vóór hem en over hem bepaald, wie hij zijn moet en wat hij doen moet. En doet hij dat niet, welnu dan stelt zijn doen en zijn hem schuldig als een overtreder van het recht der Wet.
En omdat de mens schuldenaar geworden is, eist het recht, dat hij gestraft zal worden. Een zondaar moet niet in de eerste plaats beter gemaakt worden, maar als een schuldige zijn straf ondergaan. Hij behoort niet eerst door de dokter, maar door de rechter behandeld te worden.
En nu weten wij wel, clat de mens niet alleen schuldenaar tegenover God is geworden, doch ook de ziekte der zonde, zijn ellendig bestaan moet dragen, maar al let ge nu ook nog zoveel op de ellende des mensen, en op de noodzakelijkheid om gered en geheiligd te worden, zoudt ge daarom het recht Gods mogen vergeten, of achteruitzetten?
Als een boos man op de weg een ander tracht te beroven en daartoe een worsteling met hem aangaat, maar de aangevallene verweert zich zodanig, dat de boze rover zelf gewond wordt, dan is het toch niet voldoende, dat cle geneesheer cle wonde van de rover verzorgt en verbindt. Als zijn wond genezen is, dan is hij niet van de zaak af, maar dan komt ze pas recht aan de orde. Want clie rover is niet slechts een door eigen schuld gewonde, maar hij is voor en boven alles een misdadiger, clie om zijn roverij dient gestraft te worden. De dokter moge hem verbinden en helpen, maar de rechter is er nog om hem te veroordelen. En eerst als hij zijn straf heeft ondergaan, is hij weer een vrij man; niet eerder.
Zo staat het nu ook met de mens. Zeker, hij heeft de Goddelijke Medicijnmeester nodig; clat heeft Christus zelf gezegd: „Die gezond zijn, hebben de Medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. „Maar al zou de mens van al de wonden zijner zonden genezen worden, het zou hem niets baten, als hij niet eerst met de Rechter in het gerede kwam. Al zou zijn wond genezen zijn, dan blijft zijn schuld er nog liggen, en die schuld roept om straf, tot het laatste penninkske toe.
Dat we hier zo met nadruk op het recht Gods wijzen, en de vijandschap van het menselijk hart vooral concentreren op de overtreding van het recht, heeft zijn bijzondere betekenis.
Immers, wij leven tegenwoordig in een tijd, waarin, ook onder Christenen, zo weinig met het recht Gods gerekend wordt. Er is een Christendom — waartoe zeer zeker ook lieve kinderen Gods behoren — waar men al te veel over de mens en zijn treurige toestand spreekt, en te weinig let op de schuldstaat tegenover God. Dat komt in prediking en evangelisatie terdege aan de dag. Er wordt dan veel gesproken over „die lieve Jezus", en gezongen over de Medicijnmeester, „die daar voorbijgaat", maar er wordt te weinig gehoord de toon van de Psalmist; „Zo Gij in het recht wilt treden, o, Heere! en gadeslaan onze ongerechtigheden, ach! wie zal dan bestaan? "
En daarom zit er een zekere voosheid in zulk een Christendom; men kan wel sentimenteel doen, en schijnbare bekeringen boeken, en de mensen wel tot tranen toe bewegen over de bereidwilligheid van de lieve Heiland en over de zaligheid en zoetheid van gemeenschap met Hem, maar laat het u gezegd wezen, dat deze zaken alleen clan waarde hebben, als er eerst een komen is tot de Middelaar van het recht Gods, die alleen de verhouding tussen een beledigd God en een schuldig zondaar in het reine kan brengen.
Dat verstonden ook de Psalmisten van het Oude Verbond reeds zo goed; als ze door de Heilige Geest ingeleid worden om een schat van liederen voort te brengen, waar de Kerk van alle eeuwen op teren kan. Wilt ge het recht des Heeren bezongen zien, grijp dan naar uw Psalmboek, en ge zult overal de toon aantreffen, die in de 65ste Psalm zo hoog boven de andere uitkomt:
Een stroom van ongerechtigheden Had d' overhand op mij; Maar 07is weerspannig overtreden
Verzoent en zuivert Gijl
Want „te verkondigen, dat cle Heere recht is, " zal de zalige bezigheid zijn van al Gods verloste volk in de dag der eeuwigheid, omdat dat volk, dat Sion, hier op aarde, door recht verlost is. Jes. 1 : 27.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 30 oktober 1959
Daniel | 8 Pagina's