Theodorus G. à Brakel
(II).
„De trappen des geestelijken levens."
Voor mij ligt één der eerste drukken van een theologisch werkje uit de 17de eeuw, dat vele malen herdrukt is en dat zowel in oude boekenrekjes als op de tweedehands-boekenmarkt nog vrij vaak wordt aangetroffen. De volledige titel luidt als volgt:
„De trappen des geestelijken levens beschreven door Theodorus a Brakel in sijn leven Predikant tot Mackum en volgens sijn bevel na sijn Dood in 't licht gebracht door W. a Brakel (Th. F.) Predikant tot Leeuwarden."
Het strekt de zoon tot eer, dat hij het gulden boekske van zijn vader niet door een lange breedsprakige inleiding heeft willen ontsieren, maar dat hij terstond zijn vader, voor wie hij grote achting had, aan het woord laat. Brakel Senior heeft voor zijn „tractaat" de vorm van de samenspraak gekozen, een gebruikelijk genre in die tijd (Denk aan Teellinck, Voetius en Lodenstein). Hier zijn een vader en een zoon aan het woord, waarbij het weinig moeite kost, in de vader Brakel Senior en in de zoon Brakel Junior te herkennen. Waarbij ons terstond opvalt, dat de eerste veel beter „uit de verf" komt dan de tweede, zodat het gehele werk een sterke autobiografische indruk maakt.
Het tractaat, zoals het boekje beschei-
den genoemd wordt, heeft twee hoofddelen, waarvan het eerste handelt over „de ware gelukzaligheid en de rechte praktijk der gelukzaligheid, die bestaat in de gemeenschap met God en met Zijn Zoon Jezus Christus." De aard of de natuur van deze gelukzaligheid wordt op drieërlei wijze beschreven:
a. in de staat der volmaaktheid voor de val.
b. in de staat der heerlijkheid in de hemel.
c. in de staat der genade hier op aarde.
In de ware gelukzaligheid zijn echter ook trappen. Brakel spreekt, op grond van 1 johannes 2 over kinderen, jongelingen en vaders in de genade. Alle gelovigen bereiken niet dezelfde trap; daarom mag men zelfs op de laagste trap niet ontevreden zijn, als men er maar niet moedeloos of lui bij wordt! Uitvoerig wordt daarna ingegaan op de staat der vervreemding der gelovigen, waarin ze kunnen terechtkomen door drie oorzaken:
a. van Gods zijde: Zijn welbehagen.
b. van hun zijde: zonden, zwakheid, verdorvenheid, wereldzin.
c. van buitenaf: satan en wereld.
Kenmerken worden voorgehouden waaraan men kan weten of men, in die staat gekomen, toch wel genade bezit; middelen worden aangewezen om eruit verlost te worden.
Wie in de gemeenschap met God wil blijven, moet, volgens Brakel „een goede orde houden, " d.w.z. hij dient zijn vaste tijden te hebben voor gebed, Schriftlezing, meditatie, de viering van de sabbath en de* huisgodsdienstoefening.
Over de praktijk van dit alles handelt dan het tweede deel van het werk. Hier wordt een persoon sprekende ingevoerd, clie uit zijn eigen ervaring vertelt over „de genieting en de betrachting van de praktijk der godzaligheid." Het zou ons veel te ver voeren, dit alles nader uit te werken. Om een indruk te geven van de rijke inhoud van het werk laten we Brakel zelf even aan het woord (blz. 317):
„Op een ander tijt was ick soo opgenomen in Godts liefde, dat ick was als daerin verslonden, want ick sagh clat sij was van eeuwigheijt, sonder begin, sonder mate en sij loopt in cle eeuwigheijt daer geen eijnde is; dewijle mij dan dese liefde soo omschaduwt, soo moet ick hier als stil staen ende verwonderende moet ick mij verwonderen ende en weet niet anders te seggen als: het is al liefde wat ick sie, en Godt is liefde. Ende daerom klimt mijn herte op ende brant in wederliefde ende moet mij met de heijlige engelen ende salige gemeijnte te samen voegen ende Godt loven ende seggen: Eere sij Godt in de hoogste hemelen! Soo was mijne siele soo soetelyck gerust in liefde ende de Heere was mij als het suysen van een sachte stilte in welcken hij hem aan Elia openbaarde."
de." Men ziet, dit zijn zaken, clie, om een uitdrukking van Lodenstein te gebruiken, „zelden geleerd en nog minder gepracktizeerd worden."
Deze man, met zijn ingekeerde leven en zijn verborgen omgang met Gocl, was echter in geen geval een kloosterling of een wereldvreemde, al heeft men hem daar herhaaldelijk voor gehouden. Aan het slot van het werk geeft zijn zoon Wilhelmus een kort verhaal van zijn leven en sterven en daaruit leren we cle oude Brakel kennen als een zachtmoedig en vriendelijk mens, een geliefde echtgenoot en een zorgzame vader, maar ook als een echte herder voor zijn gemeente. En als waarschuwing tegen „overgeestelijkheid" zei hij kort voor zijn dood tegen zijn zoon:
„Leest veel in Gods Woord en zingt veel cle psalmen van David, dat verkwikt de geest. Gebruikt soms verkwikkingen voor het lichaam in spijs en drank en anderszins. Dat ik het niet gedaan heb, is omdat ik geen leermeester gehad heb, die mij waarschuwde. ... men kan zijn lichaam ook teveel ten laste leggen." Dat Brakel in zijn boek geen last wilde opleggen, die iemand toch niet kan dragen, dat wordt in het voorwoord van de zoon nogeens nadrukkelijk vastgesteld: „Dat de atheur hier in dit tractaet nyemant een regel wil voorstellen, waerna een yeder juist syn doen ende laten soude moeten schicken, maer een exempel tot vertroostinge en opweckinge.... En daerom, wanneer de autheur somtijds spreeckt van eenige uren in de godsdienst te besteeden, soo moet nyemant daerdoor neergeslagen worden, omdat hij daertoe sooveel tijt niet kan besteeden.... elck moet letten op sijne beroepinge, op sijne gaven en bequaemheden der ziele, op cle bequaemheyt des lichaems en op sijn verlichte consciëntie — doch datter geen traeghevt schuyle."
We hopen clat dit korte overzicht van Brakel's beroemd geworden geschrift voor velen een aansporing zal zijn om het ter hand te nemen. Het is stichtelijke lectuur van de beste soort.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 2 oktober 1959
Daniel | 8 Pagina's