Hei Verbond der genade (6)
Gods Woord noemt het volk van Israël een Verbondsvolk. Toch hebben velen om hun ongehoorzaamheid en hun ongeloof in Zijn rust niet kunnen ingaan (Hebr. 3 : 8—19). Tijdens Zijn rondwandeling op aarde heeft Christus gesproken van kinderen des Koninkrijks — dat zijn kinderen des verbonds — die uitgeworpen zullen worden in de buitenste duisternis (Matth. 8 : 12). In de gelijkenis van de ware Wijnstok wordt er gesproken van ranken, die verdorren en die men zal vergaderen om ze in het vuur te werpen en te verbranden (Joh. 15 : 6).
Gods Woord noemt het Verbond der genade een Verbond der belofte (Efeze 2 : 12) met zegeningen en weldaden. Ook wordt er echter in Deut. 29 : 21 gesproken van alle vloeken des Verbonds.
De apostel Paulus spreekt in Rom. 11 van het oude volk Israëls als van heilige takken, waarvan er toch enige zijn die zijn afgebroken om verloren te gaan. Deze heiligen zijn dus onderscheiden van andere heiligen, die door God de Vader geheiligd zijn en door Jezus Christus bewaard worden (Jud. 1:1). Ook in 1 Cor. 7 wordt van een geheiligd zijn gesproken, dat niet zaligmakend is, terwijl er daarnaast andere geheiligden zijn, die geheiligd zijn door de offerande des lichaams van Jezus Christus (Hebr. 10 : 10). Zo wordt in Gods Woord gesproken, dat er mensen zijn die van de Heere zijn geroepen, maar toch niet hebben geantwoord (Jes. 50 : 2), in onderscheiding van hen, die wél geantwoord hebben en ook geroepen zijn tot rechtvaardigheid en heiligmaking (Rom. 8 : 30). Toen Christus er van sprak, dat niemand tot Hem komen kan, tenzij dat het hem gegeven zij van Zijn Vader, gingen van toenaf velen van Zijn discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem (Joh. 6 : 66). Zelfs Judas kwam als valse discipel openbaar. Zij zijn dus onderscheiden van die discipelen, aan wie het gegeven was de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten (Matth. 13 : 10).
Resumerend kunnen we dan ook zeggen, dat Gods Woord enerzijds spreekt van het Genadeverbond als een Verbond dat genade bevat. Een Verbond dat vast is in Christus tot in der eeuwigheid. (Jes. 54 : 10), en waarin de genade ten eeuwige leven door Christus wordt toegepast aan de gegevenen des Vaders, aan de ware geroepenen en heiligen, aan de ware ranken, aan de ware discipelen, aan de wijze maagden, aan de broeders en kinderen in de Heere. Anderzijds spreekt de Schrift, dat er een verbondsvloek is voor kinderen des Koninkrijks, dat het Verbond verbroken kan worden, dat er een volk Gods is die toch geen
ware kinderen des Heeren, maar uit de Vader der duivel zijn.
De vraag kan dan worden gesteld: Hoe is dit alles te rijmen? Het antwoord is: Onze Geref. Vaderen hebben vastgehouden aan de éénheid van het Genadeverbond. Echter een Genadeverbond met twee zijden en twee soorten van bedelingen. Deze twee zijden heeft men nooit uiteen gerukt, maar veelmeer in een organisch verband met elkaar gehouden, zoals b.v. ook in de zichtbare kerk altijd twee soorten van leden zullen blijven als kaf en koren. Men mag deze twee zijden, of wel uitwendige en inwendige zijde van het verbond genoemd, nooit uiteen rukken tot twee verbonden van een uitwendig en inwendig verbond. Integendeel: het is één Verbond. Vader Brakel schrijft in zijn Redelijke Godsdienst (deel I blz. 381), clat de goddelozen in de kerk het verbond verbreken en schipbreuk lijden van hun geloof en met de daad tonen, clat zij nóch lot nóch deel aan het woord der beloften hadden. „Hunne breuk was niet ten opzichte van een uitwendig verbond, maar ten opzichte van het Verbond der Genade, in 't welk zij zich uitwendig hadden ingelaten; hoedanig cle inlating was, zodanig was ook het verbreken." Verderop schrijft Vader Brakel: , , De kinderen der gelovigen worden heilig genoemd, niet ten opzichte van een uitwendig, maar ten opzichte van het Genade-verbond, in 't welk zich de ouders, 't zij waarlijk, 't zij alleen uitwendig, hebben ingelaten, en in 't welk zij ook hun kinderen mogen ingeven, gelijk ze doen, als zij ze laten dopen; want ook zij beogen geen ander Verbond, dan door 't welk zij en hun kinderen zouden zalig worden."
Dus geen twee Genadeverbonden, maar één Genadeverbond. Echter wel met een tweeërlei inzijn. Er is een tweeërlei ingeplant zijn in Christus. Er is door Christus als de Bedienaar van het Verbond een tweeërlei bediening. De ware bondelingen zijn in Christus ingeplant, zodanig dat zij uit Hem het ware nieuwe leven ontvangen door omzetting van de dood ten leven. Zij ontvangen dit door cle krachtdadige roeping en wedergeboorte door Woord en Geest. Het verliezen van de weldaden des Verbonds is voor hen niet mogelijk, omdat het Verbond in Christus voor hen een eeuwig verbond is, een Verbond dat vast en zeker is en daarom de ware troost uitmaakt voor het ware Sion Gods. De eis van bekering en geloof om deze weldaden deelachtig te worden, wordt hen als een weldaad geschonken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 18 september 1959
Daniel | 8 Pagina's