JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

Noteren wat de ogen betrappen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Noteren wat de ogen betrappen

4 minuten leestijd

(Dirk Coster) M. Beversluis

De vorige maal lazen we samen iets uit de nieuwste bundel van Beversluis „Kruisbogen". In het vervolg zal hieruit nog meer worden besproken, maar laten we eerst zien hoe de dichter vroeger schreef en hoe hij dit thans doet.

Beversluis, die geboren werd in 1894, liet zich al vroeg kennen als de uitbeelder van de natuur. Dirk Coster zegt van hem in zijn „Inleiding tot de nieuwe Nederlandse dichtkunst", dat hier een mens was, die weer begon enkel met de ogen te leven en alleen te noteren, wat deze ogen telkens en telkens weer hadden betrapt. „Daarbij was er reeds dadelijk een element in deze poëzie, dat hem geheel eigen was: in deze beschrijvingskunst heeft het rijm een uitzonderlijke kracht, — zijn vers leeft er op, wordt er door gedragen en deze sonore (welluidende) en altijd onverwachte rijmslagen verlenen aan zijn klank de volle, als 't ware ronde welluidendheid."

Wat cle geestelijke inslag betreft, die was erg zwak bij de dichter; in zijn laatste bundel is dat heel anders geworden. Nu eerst iets over het uitbeelden in de natuur. We kennen allen wel een vogelverschrikker uit de oude tijd, zo'n aangeklede lattenfiguur. Beversluis gaat die ons voor ogen schilderen:

Waar het eenzame licht of de schaduw van morgen en [avonden huist, hangt zijn donkre gedaante op den akker rechtop en [gekruist; De armen weerskanten gestrekt die in rafelen enden, de hoed als gelaat, en een jas om de staat van zijn dwaze ellende. Twee stokken tot stut uit den grond naar zijn hoekig [karkas, staan als sleepende sabels belachlijk weerszij uit zijn jas; en de slapgaande beenen die lijken van verre den grond niet te vinden,

als hav'looze stukken gedragen op krukken, zijn slap op de winden.

In een paar kernachtige regels heeft de dichter de boer het ding neer laten zetten. De boer noemt hij de „jaarlijkse zaaier", de man, die niet anders deed dan voor zijn land zorgen. Deze boer bezwaaide zijn akker, dus hij wierp het zaad losjes met de hand over het veld, zoals ook de zaaier uit cle Gelijkenis dit deed. Hoor maar:

De jaarlijksche zaaier die d' akker bezwaaide stond eens [voor den nacht op de plaats die hij kende weer stil met zijn spookige [vracht, en zette hem neer op den heuveltop, stampte het zand, en liet hem daar achter als hulpeloos wachter op machteloos land. Het is een zielige gestalte, zo'n vogelverschrikker, die daar zo roerloos boven het groeiende graan uitsteekt. Maar als de wind opsteekt, dan is het ineens heel anders geworden:

Soms steekt op een morgen de wind op en veegt langs de [velden en waait in de rinklende scherven, aan staken gestelden en vliegt met de flarden vooruit als veel duistre stiften, en het is of zijn doode gedaant' is doorvloden van razende driften.

De vogelverschrikker moet zogenaamd het veldgewas behoeden voor brutale indringers. Die aangekleed man is een belachelijke figuur:

En de hemelen boven en achter hem teeknen hem [hachlijk, en het bloeiende leven rondom maakt hem zwart en [belachlijk, en al wat hij doet is het tijdlijk behoeden in zwijgende [spot, der brekende zaden, der tijdloze daden van God.

Van „Klimop", dat voorkomt in de bundel „Zwerversweelde" citeer ik slechts de eerste en laatste strofe:

Weligwendend uitgeslingerd, murenlangs het breed geblaart', streeft de klimop vastgevingerd, hunkerende hemelvaart. Overschermend, looverarmend rank langs rank en top tot top, klimt ze altijd verder, verder, immer hooggesperder op.

Klimop, zonnelichtbeminde, willensterk en wezenbroos, op de sidderende winden hunkerend, maar machteloos; die met schoonheid wil omwinden, 't leven dat haar breidel is, klimop, die wil wegen vinden naar een droom, die ijdel is.

INDEX

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1959

Daniel | 8 Pagina's

Noteren wat de ogen betrappen

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 4 september 1959

Daniel | 8 Pagina's