JBGG cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van JBGG te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van JBGG.

Bekijk het origineel

BIJ EEN DODE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BIJ EEN DODE

4 minuten leestijd

(Martien Beversluis)

Na de, voor velen „zware" verzen van Roland Holst, nu iets dat direkter aanspreekt. Het gaat over een zoon, die bij zijn dode vader staat. Heel eenvoudig en vol eerbied voor de dode, schrijft de dichter op wat in zijn hart omgaat. Neen, hij denkt niet over de plaats, waar de gestorvene nu voor altoos zal moeten verblijven, maar het gaat alleen over de herinneringen uit het leven van de vader. Hoor maar:

En toen ik f een middag verloren had om je nooit meer hier te ontmoeten, en het laken verschoof aan het einde wat, toen zag ik voor 't eerst je voeten.

Deze regels moeten zacht en langzaam worden gelezen. Dan merken we de ontroering, die de dichter in woorden vertolkt, zo eenvoudig, alsof een kind die uitspreekt. De zoon gebruikt de vertrouwelijke vorm „je". Het woord „u" zou zo'n verwijdering geven in dit geval. Merk op, hoe in de tweede regel, door simpele woorden, de onherroepelijke scheiding wordt uitgezegd: „om je nooit meer hier te ontmoeten."

Over die voeten gaat de dichter nu verder zeggen:

Ze waren gehard als het donker hout van de dode boom, die je kloof. Ze waren zo stil als het avondgoud en zo bruin als de zomerschoof.

Bij de aanblik van een geliefde dode treffen ons veelal kleinigheden, waarop we vroeger nooit acht geslagen hebben. Het kan zijn, dat onze overleden moeder op haar sterfbed er uitziet als een meisje van omstreeks twintig, zo jong en zo teer, met geloken ogen, alsof ze rustig slaapt. We merken dingen, die ons nooit vroeger hadden aangetrokken en we schrikken van onze overleggingen, hoe we nu toch over zulke dingen kunnen denken. Zijn er geen ernstiger gedachten bij het ontzielde lichaam. Het kan gebeuren, dat we ons hard gevoelen, bij zo weinig ontroering, en hadden misschien gedacht, dat we anders zouden gesteld zijn, nu de vermoede slag is gevallen. Later zal het wel anders worden, wanneer we, al was het maar één uurtje, met de gestorvene zouden willen spreken, maar helaas, tot de ontdekking komen, dat zoiets nu nimmer gebeuren kan. Dan kan de droefheid groter zijn dan bij het sterfbed, als alles nog niet goed is doorgedrongen van het onherroepelijke. De dichter gaat nu verder:

Ze hadden gelopen zo wijd en moe, zo sterk en zo regelrecht, naar je dijk en je zee, naar je leven toe, tot God ze had saamgelegd.

Net zo lang als God het behaagde, heeft de vader zijn werk gedaan. God heeft de voeten tot rusten neergelegd. De ziekte of dit of dat ongeluk niet, maar het was de tijd, door God bepaald. Bij de aartsvader Jacob was het: „Zo leide hij zijn voeten te zamen op het bed en hij gaf de geest." In de volgende strofe voelen we iets van de liefde van de zoon tot zijn vader. De dichter zegt niet: „Wat heb ik vader toch liefgehad, " maar op een heel andere toon wordt gezegd:

Ze hebben gegaan de lange dag. En hoe waren we blij als ze laat weer stommelden bij de schuur en ik zag ze rusten weer op de plaat.

In het gedicht staat niet precies wat de vader van beroep was. Wellicht was hij kustwachter, want de dijk en de zee was zijn leven, de plaats waar hij geregeld te vinden was. In de volgende strofe wordt het iets duidelijker gezegd, want daar horen we over noodweer, waarin de man op post moest staan:

Want ze gingen door regen en bulderwind. En ze stonden zo kloek op wacht,

zo sterk als een man en zo kalm als een kind, voor de krullende zee bij nacht.

Let op het woord „krullende". De zee is door de bulderende wind opgezweept en cle golven breken op het strand te pletter: ze krullen om als ze het zand raken of cle voet van de dijk, die telkens de zware kracht te torsen krijgt. Daarom moet er wacht gehouden; bij het minste gevaar moet worden gewaarschuwd. Juist bij storm en regen moet cle kustwachter op post zijn.

Maar clat alles is voorbij. Het lopen op de dijk en het waken voor cle veiligheid zal een ander moeten doen. Heel eenvoudig zegt de dichter:

Nu zal er een ander om 't eiland gaan. En we hebben 't elkaar gezegd: Ze hadden hun loop en genoeg gedaan. En God heeft ze saamgelegd.

Deze verzen zijn een gedeelte van een gedicht, clat voorkomt in een bundel gedichten „Kruisbogen" van Martien Beversluis. Over die dichter en die bundel in het vervolg nog

wel iets meer. INDEX.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1959

Daniel | 8 Pagina's

BIJ EEN DODE

Bekijk de hele uitgave van vrijdag 24 juli 1959

Daniel | 8 Pagina's