Ouer de militaire dienst
RONDKIJK
Ouer de militaire dienst
Vorige maal beloofde ik, eerst een tweetal brieven te zullen beantwoorden. Uw rondkijker ontving er een van een lezer van Daniël, die beroepsmilitair is en die het niet eens was met enige opmerkingen welke zijn gemaakt bij de beschouwing van het boek „Kees Martense en zijn diensttijd". Inzonderheid niet met dat gedeelte, waar gezegd wordt, „dat de schrijver (d.i. de heer Eggebeen) weet, hoe het er op wordt toegelegd om de jongens van God en Zijn dienst af te trekken en hoe gepoogd wordt om maar met alles wat thuis geleerd is te breken en de sprekende consciëntie het zwijgen op te leggen." De geachte briefschrijver meent dat rondkijker hier te veel generaliseert, en dat er in de veel gesmade dienst nog wel mensen zijn (officieren en onderofficieren) die de jongens bepalen bij hetgeen hun thuis is voorgehouden.
Uw rondkijker heeft in algemene zin geschreven, al zijn er in „de leiding" uitzonderingen op de regels, wat we zeer gelukkig achten. Dat we schreven: „afgetrokken van hetgeen thuis is geleerd" daarmee doelden we o.m. dat onze jongens worden geconfronteerd met speelfilms, cabarets enz., die voor de militairen (soms in diensttijd) worden gegeven. Al v zijn ze dan „vrij" om er naar toe te gaan of thuis te blijven, de gelegenheid wordt er toch toe gegeven. Zo kunnen er tal van staaltjes genoemd worden, hoe getracht wordt de principes van huis uit meegebracht belachelijk voor te stellen. Neem maar op het gebied van vaccinatie, niet reizen op zondag enzovoort. Het is inderdaad waar dat het de jongens zelf ook zijn die elkaar verleiden tot allerlei dingen die niet door de beugel kunnen en het dus niet aangaat om dat maar op de dienst te schuiven. Het grootste gevaar ligt hierbij in de vrijetijdsbesteding, waar officieren en onderofficieren geheel buiten staan. Dit komt ook in het boek van Eggebeen tot uiting en het spijt mij dat de briefschrijver niet eerst het boek zelf gelezen heeft, eer hij naar de pen greep. Toch ben ik blij deze brief te hebben ontvangen, want daaruit wordt weer eens een andere kant van de militaire dienst belicht. We zijn het roerend met hem eens, dat aan de dienst niet de schuld mag worden gegeven van de afdwalingen van vele jongens. Inderdaad durven velen niet uit te komen voor hun belijdenis en dan gaat het langzaam bergafwaarts. De heer Eggebeen laat dit in zijn boek ook duidelijk uitkomen.
Het was geenszins de bedoeling van uw rondkijker „alles over één kam" te scheren. Ik weet niet welke rang mijn geachte opponent bekleedt en dat doet er ook niet toe, maar het verheugt mij, dat er in de leiding zijn, die 's Heeren Woord en Wet verstaan en de jongens er op wijzen dat zij naar hun belijdenis hebben te leven. Werd het maar méér gevonden! Er zou een gezegende uitwerking van uitgaan, al blijft de verantwoording van iedere militair persoonlijk voor al zijn daden en handelingen. Mijn briefschrijver heeft een zeer mooie, maar ook een zeer zware taak in de „opvoeding" en ziet zo vaak de teleurstelling, dat jongens die in dienst komen aanvankelijk nog wel proberen te leven naar hetgeen hun thuis is bijgebracht maar — zoals hij schrijft — „dit langzaam van zich afschudden zoals een hond het water van zich afschudt." Dat is soms moedbenemend. Daarom bidden wij hem toe dat de Heere hem de kracht en de lust geeft, om ondanks die teleurstellingen vol te houden want — en dat geldt voor ons allen — in het houden van Gods geboden ligt grote loon.
Welke krant lezen we?
Over de tweede brief zal ik kort zijn. Een lezer was het met rondkijker niet eens, over de beschouwing die hij gegeven heeft t.o.v. de dagblad-lectuur die in onze huizen komt. U weet dat ik het lezen van een Chr. dagblad aanprees, ook al mankeert daar wat aan, bóven het lezen van een neutraal dagblad. Ik heb daarbij uitdrukkelijk gezegd, wanneer de lezers van een Chr. dagblad in de kolommen iets opmerken, wat tegen Gods Woord en de belijdenisgeschriften indruist, dat ze dan in hun pen moeten klimmen en de redactie daar op wijzen. Uit ervaring weet ik, dat men daar erg gevoelig voor is. Dit wordt meest nagelaten, maar U zou eens zien, wanneer er b.v. van onze mensen bij tientallen brieven over binnenkomen, wat dit zou uitwerken! Ik verschil dus van mening met de briefschrijver die liever een neutraal blad leest en dit mede motiveert, omdat er bepaalde zakelijke dingen in voorkomen, die hij in een chr. dagblad mist. Maar ook daar zou op gewezen kunnen worden. Ik herhaal hier nog eens de slotzin uit mijn artikel van 12 juni j-1.: „Het blijft moeilijk om een goede richtlijn aan te geven, omdat er aan het Chr. dagblad ook vaak wat mankeert. Maar een neutrale krant, op tafel moeten we zeker veroordelen!"
De Academia Theologiae Reformatae te Sliedrecht
Dan heb ik nog een vraag te
beantwoorden van een lezer over de op 6 juni j.1. geopende Academia Theologia Reformatae te Sliedrecht. Hij informeert of de studenten, die deze Academie voor Gereformeerde Godgeleerdheid — dat is de vertaling in het Nederlands — aflopen, 'daar een zekere „graad" kunnen halen en in welke kerk ze dan predikant kunnen worden. Zover uw rondkijker bekend, wordt geen graad behaald en staat achter deze academie geen enkele kerk. Er wordt onderwijs gegeven in de gereformeei'de religie aan wie dit begeren, zij het dan, dat er bepaalde voorwaarden worden gesteld aan de studenten, om de studie te kunnen volgen.
De academie is opgericht op grond van artikel Ï49 der Hoger Onderwijswet. Docent is dr. J. C. Hooykaas te 's Gravenhage. In de statuten (art. 2) komt voor, dat de grondslag is: „De Heilige Schrift als sui ipsius interpres" en het doel (art. 3): het bestuderen van de Gereformeerde Theologie. In art. 4 (nadere precisering van art. 3) staat vermeld dat dogmatiek en Christelijke ethiek wordt gegeven met bijzondere aandacht voor Luther, Calvijn en Kohlbrügge. Momenteel zijn zes studenten toegelaten, o.m. ds. D. Ch. Overduin predt. der Ger. Gemeente in Hersteld Verband te Sliedrecht.
Bij de opening heeft op 6 juni j.1. prof. dr. J. C. Hooykaas een inaugurele rede gehouden over Calvijn's leer van het huwelijk. Ds. D. Ch. Overduin te Sliedrecht hield een peroratio met als uitgangspunt Lucas 5 : 4, middelste gedeelte. Nu werd aan rondkijker gevraagd, wat hij van deze academie dacht. Men kan er niet tegen zijn, wanneer in de gereformeerde religie onderwijs wordt gegeven. Overigens heeft hij wel bedenkingen. Waar gaan de studenten (uit verschillende kerkgroeperingen) heen als ze deze academie hebben gevolgd? Hervormd, Gereformeerd, Chr. Gereformeerd of predikant bij de Geref. Gem. of Oud Ger. Gemeente kunnen ze zonder meer niet worden. Bij de laatste kerkgroeperingen zullen ze dan — als ze minstens een jaar lid zijn — een attest van hun kerkeraad moeten hebben en admissie-examen moeten afleggen. Worden ze niet toegelaten, dan ligt het voor de hand dat ze mogelijk toch gaan preken waardoor er weer groeperingen bij komen en de verdeeldheid onder de Geref. gezindten nog groter wordt. Bovendien vinden wij het zeer bedenkelijk, dat op de openingsdag ds. Rustige van Hierden door de nieuwe professor werd benoemd tot „doctor honoris causa", zulks op grond van zijn verdiensten betreffende de allegorische exegese. Dat is al heel vreemd, omdat genoegzaam bekend is, dat ds. Rustige een grillige gang in het kerkelijk leven heeft gemaakt. Met allegorie moet men bepaald voorzichtig zijn; de ketter van de oud-christelijke kerk Origenes was er de grondlegger van. Ds. H. Berkhof f schrijft in zijn leerboek over de christelijke kerk dat „het gebruik der allegorie er steeds bijna het teken van is, dat de uitlegger de Bijbel aan zijn eigen gedachten wil onderwerpen."
We geven hier nog enkele citaten door hoe de kerkelijke pers deze nieuwe academie beziet. In het Chr. Geref. Kerkblad „Tot Opbouw" lazen we: „De inzet van deze academie zou belachelijk zijn als het niet zo bedroevend was." En ds. J. H. Velema, Chr. Ger. Predt., noemt deze academie in de „Kerkklok" „Een klucht der extremen.' In het driemaandelijks tijdschrift „Theologia Reformata" van juni 1959 komt een artikel voor van ds. H. G. Abma, wat ook het woord „Klucht? " (met een vraagteken) tot titel heeft. Hij schrijft (blz. 126) dat het moderamen van de generale synode (der Herv. Kerk) uitdrukkelijk heeft uitgesproken geen enkele relatie tot de nieuw gevestigde Academia Theologiae Reformatae te Sliedrecht te hebben. Dat ds. D. Rustige tot doctor honoris causa is benoemd vanwege zijn verdiensten voor de allegorische Schriftuitleg daarover zegt hij:
„Dit laatste was niet in de lijn van Calvijn, die van de allegorische methode heeft gezegd, dat deze de Schrift eer verduistert dan verheldert, terwijl met het Woord Gods gespeeld wordt als een kaatsebal". En verder:
„We willen de nobele bedoelingen van de stichters, hoogleraar en studenten niet miskennen. We hebben de indruk, dat de inaugurele rede een goed betoog was. Ik kan me indenken dat dr. Hooykaas zich geroepen gevoelt om onderwijs te geven aan wie dit begeren. Wanneer dit in alle eenvoud en godsvrucht geschiedt zou dit veler waardering wegdragen. Maar ik kan niet inzien, waarom nu per sé de traditie en gebruiken inclusief het doctoraat honoris causa moeten nageaapt worden. Het is de vraag of de academische zede wel bepaald wortelt in de Reformatie. De hele gang van zaken doet nu kluchtig aan. Ja het heeft zin om in dit verband te spreken van wereldgelijkvormigheid. Men heeft het wel eens over kerkje-spelen, maar dit is academietje spelen. Eenvoud is het kenmerk van het ware. Christus leerde als machthebbende en niet als de schriftgeleerden. Me dunkt dit moet ook zijn uitgekomen in de wijze waarop. Ik voor mij had het liever anders gezien."
Tot zover ds. Abma. Met wie wij het volkomen eens zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 10 juli 1959
Daniel | 8 Pagina's