Duisternis en licht
Het oude heidendom over de gehele wereld vertoont overal dezelfde trekken: het leeft onder de voortdurende tirannie van de machten der duisternis en in nameloze vrees en angst.
Het middelpunt van de gedachtenwerekl van de heidenen is de ziel, waar alles zich om concentreert. Een ander woord voor „ziel" is „anima" en naar dat woord wordt de levens-en wereldbeschouwing van deze heidense mensen animisme genoemd. Een zendeling mag van dit animisme wel een diepgaande studie maken, wil hij enigszins de verschillende gebruiken in de heidenwereld in een juist licht zien.
Wanneer iemand droomt, verlaat de ziel het lichaam, volgens de animistische opvattingen. De ziel waart dan rond en kan wonderlijke ontmoetingen beleven. Vooral met de zielen der gestorvenen kan dan contact worden opgenomen. In de gedaante van een vliegje of een ander insect zwerft de ziel dan rond. Vandaar dat men zich wel zal wachten om zo'n beestje te doden. Het zou de dood van de slapende kunnen veroorzaken.
Als men dit onder de ogen ziet, kunnen we ons ook enigszins voorstellen wat het bij zulke heidenen zal zijn, wanneer iemand is gestorven, of als er ziekten, vooral besmettelijke ziekten, zijn uitgebroken. Bij ziekte wil de ziel het lichaam verlaten en is die wellicht al begonnen te zwerven. Dadelijk moet dan ook een doekoen, een tovenaar, komen om de gevluchte ziel door middel van toverformules weer terug te brengen in het lichaam. Het kan ook voorkomen, dat de ziel in de macht van een boze geest is geraakt. Dan moet die boze geest op allerhande manieren verjaagd worden.
De meeste heidenen leven in stamverband en vandaar snappen ze wel, wat het moet zijn om alleen cle dood in te gaan, afgescheiden van het gemeenschappelijk leven. Een gestorvene zal dan ook proberen, volgens het animisme natuurlijk, om veel mensen de dood in te trekken; dan is hij weer in gezelschap. Bij besmettelijke ziekten zien de heidenen de een na de ander sterven en dat komt dan op rekening te staan van cle eerste, die aan cle ziekte bezweek. Die ziel is dan hoogst gevaarlijk en er moet gepoogd worden zo'n ziel te misleiden, zó, dat de weg naar het dorp niet meer terug is te vinden.
Vanuit deze gedachtengang spruiten allerlei gebruiken voort bij het sterven en het begraven. Een dode zal enkele keren om de begraafplaats worden gedragen, om het spoor terug niet meer te vinden. De ziel van de gestorvene mag zich niet meer langer met cle levenden bemoeien.
Nu is er verschil tussen de zielen van oude, afgeleefde mensen en van mensen, die in de kracht van het leven zijn heengegaan, soms op het alleronverwachts. Oude mensen waren niet meer zo verbonden aan het leven en zullen niet meer zo'n drang op de levenden uitoefenen, maar de jonggestorvenen zullen lange tijd een gevaarlijke dreiging vormen voor de overgeblevenen.
Het is een wonderlijke gedachten wereld: aan de ene kant is er vrees voor de gestorvenen, en aan de andere zijde verwacht men ook weer hulp en zegen van de voorvaders die niet meer zijn. Op het graf van een stamvader worden geregeld maaltijden gehouden en men is dan van gedachten,
dat de ziel van de docïe meeëet. Die doden behoren nog steeds bij de gemeenschap en door die goed te doen en te blijven vereren, kan er zegen verwacht worden.
Zielen van afgestorvenen en verschillende andere geesten zwermen dus om cle levenden heen en kunnen kwade en goede dingen meebrengen. Zodoende is heel het leven van de heidenen in voortdurende spanning en vrees.
Overal kunnen zielen hun intrek nemen, in beesten, in grotten, in wonderlijk gevormde bomen, in watervallen en grotten. De gehele natuur is „bezield". Tijgers en krokodillen loeren op de mensen om die te vernielen, maar in de animistische beschouwing is het dan een ziel van een gestorvene, die zich wreken wil over onrecht, dat tijdens het leven door de een of andere is aangedaan.
De zielen of geesten moeten dus telkens tevreden gesteld worden, opdat de mens zo min mogelijk onheil op de weg zal ontmoeten. Op de hoeken van de wegen, waar de geesten ook verblijf kunnen houden, worden rijstoffers gebracht; op viersprongen, die ook een geliefkoosde verblijfplaats zijn voor de geesten, legt men bloemen neer om de geesten maar te kalmeren.
Hoe vreselijk is de macht van satan, die deze arme mensen in zijn duivelse greep heeft en probeert om ze in zijn greep te houden. Hoe kunnen we dan ook verstaan, dat alles in het werk zal gesteld worden om het werk van de zending van meetafaan tegen te staan met alle geweld.
Het is de strijd van de duisternis tegen het licht. Van de zijde van de mens zal het licht nooit kunnen doordringen. Onmachtig staat de zendeling op zijn post, maar hij weet, dat de bekering van de arme heiden niet zijn werk is, maar het werk van Hem, Die machtiger is dan de vorst der duisternis.
In het vertrouwen dat de Heere wonderlijk werkt, zal hij op zijn plaats blijven, zolang als het de Heere behaagt en zolang er nog een geopende deur is.
De werking van de Heilige Geest is als een stormwind, die alles kan neerwerpen wat zich tegen God verheft; een vuur, dat de zonde en boze machten verteren kan.
Een zendeling zaait en God alleen kan de wasdom geven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1959
Daniel | 8 Pagina's