Hoe denkt men over de dood?
(2.)
De vorige keer zagen we, dat de ziel, wanneer ze zich van het lichaam begint los te maken, in vele gevallen meegelokt wordt door boze geesten.
Wat zijn dat voor geesten?
Dat kunnen, naar de gedachte van vele volkeren, zelf ook zielen zijn van mensen, die te vroeg gestorven zijn en die
nu uit een zekere jaloersheid of uit andere gevoelens pogen anderen hetzelfde lot te doen delen. Zo gelooft men b.v. dat de ziel van een vrouw, die in het kraambed gestorven is, soms blijft rondspoken om zielen van andere zwangere vrouwen of van heel jonge kinderen te verleiden en mee te nemen naar het dodenrijk. De mens is nu eenmaal aan alle kanten omringd door machten, die het op zijn ondergang gemunt hebben en daarom past hem ieder moment, maar vooral in de hachelijke ogenblikken van zijn leven, de grootste voorzichtigheid. Met dit alles is echter de vraag nog niet beantwoord, wat de dood zelf voor verschijnsel is. Wat gebeurt er met de mens na zijn dood, waar gaat de dode heen? Op deze vraag worden de meest uiteenlopende antwoorden gegeven.
Vaak koestert men de gedachte, dat de ziel of dat geheimzinnig „iets", clat in cle dood het lichaam verlaat, aanvankelijk nog in de buurt van het huis blijft of ook wel zich in de nabijheid van het graf ophoudt. Daar kan ze zich soms nog vertonen, daar is haar werking soms nog voelbaar. Dit is in vele opzichten ook gemakkelijk verklaarbaar. Wanneer de achterblijvende het huis betreedt, is het soms net alsof men cle dode weer voor zich ziet, alsof hij nog niet geheel „weg" is. Soms, als men 's nachts onbekende geluiden hoort in huis, griezelt men en heeft men het gevoel, alsof de dode nog in de omgeving is. Kortom, het is begrijpelijk, dat men vooral in de eerste tijd na het sterven nog telkens het besef heeft alsof de heengegane nog in de nabijheid verkeert. Dit brengt een gevoel van vrees mee. Men is bang cle dode te beledigen of pijn te doen, omdat anders de dode wel eens op een zeer onaangename wijze wraak zou kunnen nemen. In allerlei gebruiken is dit nog gemakkelijk aan te wijzen. Ook het spreekwoord, dat men over de doden niets dan goed mag spreken, wijst in dezelfde richting. Men laat vooral gevoelen, dat men zeer over hem in droefheid verkeert. Men gaat van tijd tot tijd naar het graf om de gemeenschap nog te onderhouden. Niet zelden doet men dat zó, dat men op het graf een maaltijd houdt, waarbij men dan veronderstelt, clat de dode daarvan meegeniet. In dezelfde richting moet men ook de vele bloemen verklaren bij hedendaagse begrafenissen. Kortom, men doet alles om te laten gevoelen, dat men de heengegane nog tot de kring rekent en dat men zich nog aan hem verbonden weet.
Hier en daar vinden we cle gedachte, clat de ziel van een gestorvene ingaat in een ander wezen, in een dier of in een ander mens, die pas geboren wordt. Sommige dieren ziet men er zeer bepaald op aan, dat ze belichamingen zijn van gestorvenen. Voor die dieren koestert men een zeer bijzondere vrees, want zij zouden wel eens kunnen vergelden, wat men tijdens het leven tegenover de heengegane misdaan heeft. Bij cle volken van India b.v. heerst al van oude tijden het geloof, dat de ziel van een gestorvene weer opnieuw, meest in menselijke gedaante, naar cle aarde weerkeert en een nieuw leven begint. Dat nieuwe leven is dan een soort straf op cle misdaden, die men vroeger gedaan heeft. Heeft men zich in het vorige leven zeer slecht en liederlijk gedragen, dan kan het zijn, dat men als een blindgeborene of als een kreupele weer opnieuw gebo-
ren wordt. De mens in zijn huidig bestaan boet dan voor de fouten, die hij in een vorig leven begaan heeft.
Bij de meeste volkeren echter koestert men het geloof, dat de ziel van de gestorvene, nadat zij eerst enige tijd in de buurt van de oude omgeving verkeert heeft, op de duur wegtrekt naar het onbekende land. Meestal graaft men dan ook de beenderen op en zet ze ergens bij. De dode is nu geheel weggetrokken en men behoeft dus voor hem niet meer zo beangst te zijn. Waar hij zich nu bevindt, is moeilijk te zeggen. Soms meent men, dat hij in een soort van onderwereld verkeert of ergens op een ver eiland. Hier en daar vermoedt men, dat er ergens een grot is, die toegang geeft tot het land des doods, maar waar die grot precies is, weet men toch als regel niet. En evenmin weet men veel te vertellen van het lot, dat deze gestorvenen treft. Zijn ze rijker, gelukkiger dan wij? Zijn ze uitgeheven boven de beperkingen, waaronder wij dag aan dag gebukt gaan? Ondervinden ze een zekere vergelding voor wat ze goed gedaan of misdaan hebben tijdens hun leven op aarde? Dragen ze nog kennis van wat hun nabestaanden wedervaart op aarde? Leven ze net als wij, eten ze ook, drinken ze ook, huwen ze ook met elkander? Of is alles bij hen anders, schimmiger, ijler, droeviger dan bij ons? Op al deze vragen geven de mythologische verhalen der volkeren alleen uiterst vage en onzekere antwoorden.
Wel is men er menigmaal van overtuigd, dat die doden machtiger zijn dan wij. Zij weten immers het grote geheim, dat voor ons nog onbekend is. Wanneer ze als schimmen of spoken op aarde verschijnen, dan kunnen ze dingen doen, die ons ongelooflijk toeschijnen. Ze kunnen door muren heendringen, ze kunnen plotseling weer verdwijnen als in een mist, ze kunnen krachten ontketenen, waar wij geen denkbeeld van hebben. Maar hoe precies hun bestaan zich voortsleept, daarvan heeft men eigenlijk nergens een flauw denkbeeld. Als regel stelt men zich het dodenland voor als een wereld, die net zo is opgebouwd als de onze. Er zijn ook koningen, er is ook vreugde en smart, maar het is er alles bleker dan bij ons. Maar meer weet men er als regel niet over te vertellen. Het dodenrijk is nu eenmaal een gebied, waarvan men niet kan terugkeren en het is dus ook niet te verwachten, dat iemand daar veel van zou kunnen begrijpen.
Toch gaat men er als regel van uit, dat die doden, waar ze zich dan ook mogen ophouden, op het leven op aarde nog een grote invloed uitoefenen. Dat geldt niet zozeer van alle gestorvenen, maar het geldt zeker wel van hen, die op een of andere wijze hebben uitgeblonken tijdens hun leven. Het geldt met name van de grondleggers van een geslacht, van de eerste ontginners van een bos, van hen die ergens een dorp of een stad gevestigd hebben, van de voorvaderen, aan wie men alles te danken heeft. Van deze gelooft men, dat ze nog voortdurend bezig zijn met hun nageslacht. Zij beheersen de krachten der natuur en kunnen dus maken, dat de regens uitblijven, of dat de stormwind gaat opsteken, die grote schade aanricht. Zij zijn het, die het groeien van de planten bewerken, die het zaad doen gedijen, die dus het leven van de stam of van het dorp in stand houden. Tot hen richt men dan ook zijn gebeden, voor hen beeft men in tijden van droogte en misgewas. Zij kunnen zich beledigd gevoelen, wanneer de oude zeden, die zij hebben ingesteld, overtreden worden. Zij kunnen zich wreken, wanneer aan hen niet die offers gebracht worden, waarop ze recht hebben of wanneer het jongere geslacht te kort schiet in eerbied jegens hen. Kortom, hun macht zou men niet graag trotseren, want zij zijn nog altijd de bewakers van het stamleven, aan hun goede gunst hangt het welzijn der levenden. Daarom wordt dan ook van geslacht op geslacht de band met deze voorouders zorgvuldig onderhouden. In China en Japan is deze dienst van de voorouders een van de met grote ernst en nadruk aan elke jongere generatie voorgehouden verplichtingen.
W. van Dijk
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 12 juni 1959
Daniel | 8 Pagina's