Hoe denkt men over de dood?
(i).
Van cle vroegste tijden af zien we cle mens gebogen onder cle onnoemelijke last van de wetenschap, clat hij sterven moet. De angst daarvoor drijft hem tot allerlei handelingen, die hij zelf, als hij ze nuchter beziet, als dwaas en onredelijk zal moeten verwerpen. Hij wordt opgejaagd als een stik wild, elke keer als hij zich ervan bewust wordt, dat vroeg of laat ook voor hem de grote ure slaan zal. Kortom, de angst voor de dood is zonder enige twijfel een van de meest beheersende krachten gebleken in het gehele menselijk geestesleven.
Het behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat eveneens van de oudste tijden af over het wonder van de dood is nagedacht. Wat is die dood eigenlijk? Bij een dier of een plant past de dood. Maar ten aanzien van de mens had men steeds het besef, alsof bij hem de dood een verschijnsel is, dat niet bij hem past, en dat als iets vreemds van buitenaf in zijn bestaan is doorgedrongen. Vandaar dan ook, dat talrijke volkeren de gedachte koesteren, clat de dood nooit een natuurlijke oorzaak heeft, maar veroorzaakt wordt door bovennatuurlijke factoren, door toverkrachtige handelingen van een of ander groot kenner van cle geheime wetenschappen, ofwel door de macht van geesten, die op de mens loeren en hem trachten weg te slepen. Vooral vond in vele landen de gedachte verbreiding, dat het de doden zelf zijn, die met alle macht pogen hun nabestaanden mee te trekken naar het onbekende land aan gene zijde van het graf. Die doden voelen, waar men algemeen aannam, vooral aanvankelijk, een onbeschrijfelijke eenzaamheid, ze zijn in één ogenblik losgerukt uit alle banden van gezin en familie, van stam en volk. Dat geeft hun een besef van nameloze verlatenheid en ellende. Gedurende hun gehele leven hebben deze mensen in de gemeenschap geleefd en nu in de dood komen ze plotseling op zichzelf te staan als eenzame schimmen, clie geheel alleen de moeilijke reis moeten maken. Geen wonder dat ze trachten anderen mee te roepen om samen met hen die weg te gaan. Als men de gang des doods gezamenlijk zou betreden, zou de pijn ervan aanmerkelijk minder zijn. Dit is ook wel een van de oorzaken, waarom bij allerlei volken slaven aan een heer in de dood meegegeven worden. In India vonden we het bekende gebruik, dat de achterblijvende weduwe vrijwillig de brandstapel beklom, waarop het lijk van haar man verast werd. Zij vergezelde zodoende haar echtgenoot tot over de grenzen van het verborgen rijk des doods.
Zodra het ging over de vraag, wat de dood eigenlijk is, kwamen talrijke antwoorden naar voren. Het lag voor de hand te vermoeden, dat in de dood iets wat tot het wezen van de mens behoort, het lichaam verlaat. Wat is dat geheimzinnige „iets"? Men zou het de ziel kunnen noemen. Nu moeten we er echter wel op letten, dat bij talrijke volken dat
begrip „ziel" vooral niet te geestelijk mag worden opgevat. Zij zien de ziel als een wezen, dat ook een zekere mate van lichamelijkheid bezit, zij het ook ijler en ontastbaarder dan het lichaam zelf. Die ziel kan ook een bepaalde gestalte aannemen, ze kan als een vliegje of vogel enz. zich vertonen. In ieder geval is ze dus niet van een volstrekt ander karakter dan het vlees. Dit stond wel vast, die ziel of hoe men dat geheimzinnige ^ok noemen wilde, woont bij de mens jr» maakt er deel van uit, en in de dood verlaat het het lichaam.
Waarom doet ze dat? Men antwoordde meestal, dat die ziel niet langer begeerde in het lichaam te huizen. Ze werd betoverd door één of andere geest, ofwel ze kwam onder de ban van een machtig tovenaar, maar het was ook mogelijk, dat ze uit zichzelf het lichaam ging verlaten. Dit laatste deed zich voor, wanneer allerlei zorgen het leven beangstigen, wanneer er te weinig eten of drinken was, dus wanneer de nood hoog gestegen was. Dan was er alle aanleiding voor de ziel om weg te trekken naar het onbekende land van de dood. Als regel gebeurde dat niet plotseling, maar langzaam begon ze zich van het lichaam los te maken. Dat noemde men gewoonlijk ziekte. Ziekte was dus eigenlijk niets anders dan dit, dat een ziel aanstalten begon te maken om zich af te scheiden van het lichaam.
Hiermee ging vanzelfsprekend samen de wijze, waarop men met de zieken omging. Als voorbeeld willen we hier geven, hoe de Batakkers op Sumatra dat deden. In dagen van ziekte werd een optocht georganiseerd om de ziel terug te lokken naar haar tehuis. Deze optocht beweegt zich plechtig naar de plaats, waar de toverpriester de meegevoerde ziel vermoedt. Vooraan loopt een meisje, dat op haar hoofd een bord draagt met rijstkoekjes en eieren als offer aan de geesten, die de ziel gevangen houden. Dan volgt de toverpriester en na hem de naaste bloedverwant van de patiënt. Deze mag niet achter zich en ook niet naar rechts of links kijken, hij mag voorts geen enkel woord spreken; allen die de stoet tegenkomen, moeten uitwijken. Zodra men buiten in het veld op een soort altaartje het offer neergelegd heeft, begint men te bidden en de toverpriester begint de ziel van de patiënt te bezweren terug te keren. Hij belooft haar allerlei geschenken en offeranden, hij slaat met zijn staf naar alle windrichtingen om de schadelijke geesten te verjagen, totdat het ogenblik gekomen is, waarop hij gelooft de ziel gelokt te hebben. Op de terugweg loopt men zeer voorzichtig, want nu moet men de teruggelokte ziel begeleiden. De bloedverwant loopt nu voorop, de tovenaar achter hem aan. Deze is intussen nog bezig, de ziel te vragen toch gewillig mee te gaan. Onderwijl heeft men het huis van de zieke geveegd en op de vloer matten neergelegd. Als de stoet wordt terugverwacht, raag zich niemand in de buurt van dt huistrap ophouden, want de ziel moet de weg vrij vinden. Wanneer de tovenaar bij het huis aankomt, roept hij van buiten: „O ziel van n.n., zijt ge nu thuis? " Iemand antwoordt van binnen in het huis: „ja" en daarmee is de ziel dan weer gelukkig teruggekeerd. In het huis smeekt men haar nogmaals en onderricht haar met vriendelijke woorden, dat zij het lichaam toch niet verlaten moet en daarbij belooft men haar schone gewaden en smakelijke offeranden.
We zien uit deze gegevens van zendeling Dr. Warneck, dat de ziel beschouwd en ook behandeld wordt als een soort van zelfstandig wezen, dat min of meer vrijwillig het lichaam verlaten kan, wanneer het verblijf in dat lichaam al te ongemakkelijk gaat worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 15 mei 1959
Daniel | 8 Pagina's