Satan, vijand van Gods volk
(DE VIJANDEN GODS 6)
Satan is niet slechts vijand van God en Zijn Christus, maar evenzo — en juist daarom — een vijand van het volk Gods. Immers het volk des Heeren staat daar als een toonbeeld van de reddende en verlossende kracht der genade Gods.
Vanaf het ogenblik van 's mensen val, viel heel de schepping de Satan toe; er was niemand en niets op aarde, waar de duivel geen heerschappij over kreeg. En toen de mensheid begon te vermenigvuldigen en het tweetal uit het Paradijs aangroeide tot een duizend-en millioenvoudige menigte, was heel die grote schare aan de zonde, en daarmede aan de Satan onderworpen.
Maar zie, nu heeft God de Heere in Zijn oneindige liefde een deel van die mensheid willen redden uit de kaken der hel. Het menselijk geslacht mocht niet geheel ten ondergaan. Dat gedoogde Gods eer niet! En nu heeft de Heere, ter betoning Zijner rechtvaardigheid wel een groot deel der mensheid overgegeven, om in hun zonden om te komen, maar het geslacht der mensen, als zodanig, moest eeuwig blijven bestaan, en daarom, al werd van het menselijk geslacht de grootste helft der takken, loten en bladeren weggekapt, — de stam zelf moest blijven staan.
Het eerste woord, dat God van genade doet spreken is: „Ik zal vijandschap zetten!" Neen, de Heere heeft niet gezegd: „Ik zal de mens redden!", of: „Ik zal Mijn genade tonen!"; maar Hij heeft het kwaad der zonde bij de wortel aangevat en een breuk geslagen tussen Satan en de hem toegevallen mensheid. Gods genade en ontferming openbaart zich het eerst in het stellen van vijandschap.
Zou de Heere de mens kunnen redden, dan was het zaak om eerst de machtige te binden en hem daarna zijn buit te ontroven. De strijd, die God met Satan aanbindt, is aldus profetie van de redding van Gods kinderen.
En dat weet Satan zeer wel!
Bovendien: hij bemerkt dat, elke keer, als er weer één der verkorenen in het hart wordt gegrepen, en door alvermogende genade wordt wedergeboren! Elk mensenkind, dat door de hand van Gods genade wordt aangeraakt, is weer één onderdaan des duivels minder. Telkens ziet de Satan zich weer een prooi ontglippen, en dat doet zijn haat tegen God en Zijn volk nog heviger worden.
Is het dan wonder, dat de vorst der duisternis het zo bijzonder op Gods kinderen gemunt heeft? Is het dan wonder, dat hij al zijn krachten inspant, om hen het leven zo zuur mogelijk te maken? Is het dan wonder, dat hij gebruik maakt van de hun nog steeds inklevende verdorvenheid, om hen, zo mogelijk, van God af te trekken en ze te doen wentelen in de modder der ongerechtigheid?
Zijn daarvan geen genoegzame voorbeel-
den in cle Heilige Schrift en in de ervaring van de gelovigen, ook tot vandaag toe?
Zie maar eens, hoe hij God als het ware uitdaagt, om hem Job in handen te geven, en om aan God te tonen, dat Job geen haar beter is dan de goddelozen. Hoe werpt hij Job in de zeef, en schudt hem, tot hij er toe komt zijn geboortedag te vervloeken. Maar verder kon hij ook niet. De Satan kan wel heel veel met Gods volk uitrichten, zover de Heere dat toelaat, maar zodra hij toekomt aan het genadewerk Gods in hun harten, dan kan hij niet verder; dan moet hij het overgeven, en zwichten voor de macht der verlossing, die in Christus Jezus is. Zie maar eens, hoe hij tracht Petrus dezelfde weg te doen gaan als Judas. En zeker, het zou met Petrus niet beter afgelopen zijn, als hij geen Heiland had bezeten, die zeggen kon: „Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude!" En zo is cle Satan nog steeds bezig om zijn giftige pijlen af te schieten op Gods duurgekochte gemeente. Er is niet één van Gods kinderen, die hieraan niet in meerdere of mindere mate kennis heeft. Wat Paulus eens zeide, kunnen de ingeleide kinderen Gods hem nazeggen, als hij het over de Satan heeft, en zegt: „Zijn listen zijn ons niet onbekend!" Wat kan hij al niet voor onheilige dingen in hun ziel blazen! Wat kan hij ze soms de ene keer tot zelfverheffing, en de volgende keer tot moedeloosheid brengen. Maar hij is toch, gelukkig, een overwonnen vijand, die het straks moet opgeven, vanwege zijn nederlaag op Golgotha.
Verlos ons int des bozen macht; Bescherm, en sterk ons door Uw [kracht; Wij zijn toch zwak, zijn sterkt' is [groot; Dus zijn w' elk ogenblik in nood; Hier komt nog vlees en wereld bij; Ai, sterk ons dan, en maak ons vrij!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van vrijdag 17 april 1959
Daniel | 8 Pagina's